Nederlandse verpleegkundige werkte in frontlijn van bloedige burgeroorlog: Liberia is dood, verbrand, leeggeschoten

BRUSSEL, 16 aug. 'Zelfs gedurende onze evacuatie uit Monrovia hebben twee van onze mensen nog een baby gered', zegt verpleegkundige Cora Lubbinga van de medische hulporganisatie Artsen zonder Grenzen. 'Overal lagen lijken op de weg en half onder het dode lichaam van een vrouw zagen zij een voetje bewegen.' De Nederlandse Cora Lubbinga (27) kwam vanmorgen als lid van een Belgisch team van Artsen zonder Grenzen terug in Brussel. Twee maanden werkte zij in het door een burgeroorlog geteisterde Liberia. In Monrovia kwam zij terecht in een situatie die zij als 'normaal' ervoer. De markten waren open, je kon van alles kopen en de prijzen waren normaal. 'We konden 's avonds nog wel naar restaurants, maar de mensen die er al langer zaten, zagen toch wel signalen dat het mis ging. En de bevolking vroeg zich angstig af wanneer de rebellen zouden komen.' Na een week veranderde de situatie volledig. Lubbinga was op weg naar een van de vluchtelingenkampen met injecties tegen mazelen toen militairen op een vredesdemonstratie begonnen te schieten. 'We zijn teruggegaan en toen zat de angst er in. Ik ben de hele verdere periode bang geweest, maar vond toch dat we door moesten gaan.'

Enkele dagen daarna opende het Belgische team van Artsen zonder Grenzen in het katholieke ziekenhuis van Monrovia een eigen afdeling voor circa vijftig mensen. De gevechten om de hoofdstad werden heviger en de afdeling liep vol met militairen. 'Je kon zien dat het oorlog was, allemaal jongens met halve armen en benen en bijvoorbeeld een misselijkmakend geval van een man wiens oren waren afgesneden. De rebellen hadden hem gedwongen de afgesneden stukken op te eten. Als je zoiets hoort doet het je wel wat, maar het is nog weer anders wanneer het je patienten zijn.' De angst was groot dat de rebellen, die zich op vijf kilometer afstand bevonden, het ziekenhuis zouden binnendringen. Maar de grote klap voor het ziekenhuis kwam op 30 juli. Een zwaarbewapende groep soldaten, vermoedelijk van het regeringsleger van president Doe, drong de lutherse kerk binnen, waar duizend vluchtelingen waren ondergebracht, en opende het vuur op de vrouwenslaapzaal. Baby's werden in putten gegooid. 'De volgende dag kwamen de overlevenden bij ons binnen. Ontredderde en half afgeslachte mensen. We werkten allemaal in de eerste-hulpruimte. Je stak er een infuus in en probeerde de afschuwelijk grote wonden te verbinden. Daarna werden ze op matrassen in de hal en de gangen neergelegd. De elektriciteit werkte niet meer, dus we moesten ze zelf naar de hogere verdiepingen dragen. Het was een hel van krijsende moeders en huilende kinderen.' De militairen verboden in de loop van die dertigste juli het afhalen van nog meer gewonden. Ze dreigden ook naar het ziekenhuis te komen en alle burgers alsnog te vermoorden. Die avond sliep het Belgische team in de Duitse ambassade. Voor patienten en ander personeel was geen plaats. De Duitsers waren bang dat zij door het accepteren van een grote groep acties van de militairen zouden uitlokken. 'Het was de zwartste dag van mijn leven omdat we de mensen achterlieten', zegt Lubbinga. 'De volgende dag ben ik snel teruggegaan naar het ziekenhuis. Het was een grote rotzooi. We zijn gewoon maar weer begonnen.'

Ook die dag had het verplegend personeel te maken met intimidatie door de militairen, maar het liep met een sisser af. 'Je dankt god en gaat maar weer aan het werk. Er waren te veel patienten, dan heb je geen tijd om zielig te gaan doen.' Het team hield het uit tot 11 augustus. Inmiddels lag het ziekenhuis in de frontlijn. Kogels vlogen door de ramen, raketten ontploften voor de deur. 'Dat geeft een enorme klap. Dat wist ik niet, ik had geen oorlogservaring.' In de stromende regen verliet het team vergezeld van honderd patienten in een konvooi van 28 auto's Monrovia. De autochtone personeelsleden en lopende patienten vertrokken op eigen gelegenheid. 'De eerste vijf kilometer waren ondragelijk van spanning. Zullen de militairen op ons schieten en laten de rebellen ons wel door? Maar toen we door het groene landschap reden, kwam de blijdschap. We waren erg moe maar ongelooflijk blij.' De tocht ging naar Gbanga, honderd kilometer ten noordoosten van Monrovia. Afgelopen zondag kwam de groep daar aan. Via Ivoorkust reisde het team vervolgens naar Freetown in Sierra Leone. Twee Nederlandse artsen reisden onmiddellijk door naar Nederland. Lubbinga wilde wel even bijkomen in een hotel in Freetown. Bovendien moest er daar een nieuw team van Artsen zonder Grenzen worden geinformeerd. 'Wat ze kunnen doen op dit moment weet ik niet', zegt de Nederlandse verpleegkundige. 'Een ding weet ik wel zeker: ik wil terug. Dat land is dood. Verbrand en leeggeschoten. Bij onze evacuatie kwam je door volstrekt ontvolkte stadjes. Het moet weer worden opgebouwd.'