Leider Irak doet concessie aan Iran, maar is niet van plan Koeweit op te geven; Saddam hoopt twee fronten te vermijden

ROTTERDAM, 16 aug. De Iraakse president, Saddam Hussein, heeft de crisis in de Golf gisteren een even onverwachte als dramatische wending gegeven. Bijna tien jaar nadat hij met veel vertoon voor de televisie het grensverdrag met Iran uit 1975 had verscheurd en een vernietigende oorlog met zijn buurland had ontketend, kondigde hij plotseling aan dat hij nu bereid was ditzelfde Verdrag van Algiers alsnog te accepteren.

Net als in 1975, toen dit verdrag werd ondertekend door de sjah van Iran en Saddam Hussein, die op dat moment vice-president was, voelt Irak zich nu in het nauw gedreven. De Iraakse leider speelt op het ogenblik hoog spel tegen de sjeiks en hun Westerse bondgenoten over zijn annexatie van Koeweit en hij kan zich niet veroorloven om op twee fronten tegelijk oorlog te voeren. Nog altijd ligt circa de helft van zijn leger, een half miljoen militairen, aan de grens met Iran. Saddam ziet zich graag bevrijd van deze last. Zijn opening naar Iran bewijst dat hij niet van zins is om het twee weken geleden door Irak veroverde Koeweit af te staan en al helemaal niet van het vlak voor de Iraakse kust gelegen Koeweitse eiland Bubiyan. Hierdoor heeft Irak eindelijk een lang begeerde eigen toegang tot de Golf gekregen. 'Jullie de helft van de omstreden rivier Shatt al-Arab, wij Koeweit erbij', zo lijkt de Iraakse leider aan Teheran te willen zeggen.

Dat hij hiertoe een vernederende knieval voor Teheran moest maken nam hij op de koop toe. Voor de Iraniers kwam de aankondiging uit Bagdad als een geschenk uit de hemel. 'Dit is de grootste overwinning uit de geschiedenis van de Islamitische Republiek Iran', juichte minister van buitenlandse zaken Ali Akbar Velayati.

Velayati's ministerie beloofde dat de concessies van Saddam een nieuw tijdperk van 'langdurige en rechtvaardige vrede' inluiden tussen beide landen. Of die vrede inderdaad zo langdurig zal zijn hangt zeer af van het verdere verloop van de Koeweitse crisis en vooral of Irak Bubiyan in handen kan houden.

Al honderden jaren is de grens tussen Arabieren en Perzen aan weerszijden van de rivier de Shatt al-Arab, de samenloop van de Eufraat en de Tigris, een bron van conflicten en een reden om oorlog te voeren. Bij elke slingerbeweging van de geschiedenis, nu eens met een sterker Irak dan weer met een krachtiger Iran, flakkert de kwestie op.

Voor Irak vormde deze rivier de enige uitweg naar de zee. Bagdad wilde dan ook niets liever dan volledige controle over deze levensader. Iran heeft echter altijd vastgehouden aan zijn standpunt dat de grens door het midden van de rivier loopt. Zo is het ook in het Verdrag van Algiers vastgelegd.

Saddam Hussein, toen al de sterke man van het Iraakse regime, aanvaardde dit akkoord in 1975 knarsetandend van woede. Hij had geen keus. Zijn land was namelijk uitgeput door een lange strijd tegen de Koerden, die door Teheran rijkelijk werden gesteund. In ruil voor Saddams handtekening beloofde de sjah zijn hulp aan de Koerden te staken.

Vijf jaar later was de toestand echter ingrijpend gewijzigd. Iran was verzwakt door de chaos van de Islamitische Revolutie, terwijl Saddam zijn positie intussen juist aanzienlijk had versterkt. De Iraakse leider zag zijn kans schoon en stortte zijn land in een oorlog, die voor eens en voor altijd de Shatt al-Arab bij Irak moest brengen.

Acht jaar en honderdduizenden doden later kwam het tot een wapenstilstand tussen beide landen. Het grotere en veel volkrijkere Iran, dat Irak herhaaldelijk tot de rand van de afgrond had gebracht, liep in 1988 zulke harde klappen op van het verbeten vechtende Irak dat wijlen imam Khomeiny instemde met een staakt-het-vuren, hetgeen naar zijn eigen zeggen erger was dan het drinken van de gifbeker.

Saddam Hussein kraaide victorie en weigerde hardnekkig om de laatste stukken Iraans grondgebied onder zijn controle te ontruimen. Veel had hij overigens in dit stadium niet aan de Shatt al-Arab: de rivier was sinds het begin van de Golfoorlog gevuld met scheepswrakken en kon dan ook niet door de scheepvaart worden gebruikt.

Ook nadat de wapens tot zwijgen waren gekomen, bleef de verhouding tussen beide landen lange tijd buitengewoon stroef. Zo was er vrijwel geen enkele vooruitgang omtrent de circa 30.000 Iraniers die nog altijd in Iraakse krijgsgevangenschap zitten en de naar schatting 70.000 Irakezen in Iran. Pas enkele weken geleden, op 3 juli, hadden de ministers van buitenlandse zaken, Velayati en Tareq Aziz, voor het eerst direct contact met elkaar. Ook was er deze zomer, op initiatief van Saddam, voor het eerst sprake van een topontmoeting tussen de Iraakse leider en zijn Iraanse collega Hashemi Rafsanjani. Daarvan is het echter tot dusverre niet gekomen.

Een teken van het veranderende klimaat tussen beide landen was verder de humanitaire hulp die Irak bood aan de Iraanse slachtoffers van de recente zware aardbeving. Iran steunde de laatste maanden bovendien van harte het diplomatieke offensief van Saddam Hussein tegen die Arabische landen van het oliekartel OPEC die zich niet aan de afgesproken produktiequota hielden. Beide landen verkeren nog steeds in grote financiele nood als gevolg van de uiterst kostbare Golfoorlog en hebben elke dollar uit hun olie-export dringend nodig.

Maar dit alles speelde zich af voor Saddam twee weken geleden brutaalweg Koeweit onder de voet liep en daarmee een ongekende confrontatie met het Westen uitlokte. Toen hij plotseling geheel geisoleerd dreigde te raken en een vurig appel op de broederschap van de Arabische Natie hem niet direct verder hielp, besloot Saddam zich lucht te verschaffen door de banden met Iran te verbeteren.

Door zich te verbinden met Iran, dat steeds een onverzoenlijke tegenstander van het Westen is geweest, hoopt Saddam zijn pretentie kracht bij te zetten dat hij namens de hele islamitische wereld tegen het Westerse imperialisme strijdt. De discussie over zijn annexatie van Koeweit hoopt hij hierdoor naar de achtergrond te dringen.

Interessant zal nu vooral zijn of Iran zijn houding jegens Irak zal aanpassen, zoals Saddam hoopt. Iran heeft uitdrukkelijk de Iraakse verovering van Koeweit veroordeeld en verklaard dat het geen wijzigingen in de geo-politieke situatie van de regio zal dulden. De ambassadeur van Iran bij de VN zei gisteren dat Iran aan deze visie vasthoudt.

Er klonken gisteren evenwel ook hoopvollere geluiden voor Saddam uit Teheran. De geestelijke leider van het land, ayatollah Ali Khamenei, veroordeelde in een toespraak de landen die Amerikaanse troepen op hun grondgebied uitnodigden. 'Regeringen die een beroep doen op Amerika om hun land te verdedigen zijn regeringen zonder wortels die niet op de steun kunnen rekenen van hun volk', stelde de Gids van de Natie.

Belangrijk voor Irak is of Iran zal vasthouden aan de economische boycot van de Verenigde Naties of dat de Iraanse leiders bereid zijn om een oogje dicht te knijpen en goederen en diensten voor Irak door te laten. Het laatste lijkt het waarschijnlijkste. Openlijk zal Teheran zijn steun aan de sancties van de VN niet laten vallen. Zijn 'geliefde broeder president Ali Akbar Hashemi Rafsanjani', zoals Saddam hem gisteren aansprak, heeft immers de laatste tijd hard gewerkt om de banden met het rijke Westen weer wat aan te halen. Om die inspanningen nu in een keer te niet doen ter wille van de erfvijand Irak, is veel gevraagd. Bovendien zou dat moeilijk zijn te slijten aan de bevolking die nog steeds een diepe afkeer heeft van Saddam.