Late post en valse voorspiegelingen.

DE DIRECTIE JEUGDBELEID maakt een rommeltje van de subsidiestromen waarvan de particuliere instellingen voor jeugdhulpverlening volstrekt afhankelijk zijn, stelt de Algemene Rekenkamer vast. De verantwoordelijke minister d'Ancona probeert het harde oordeel te 'nuanceren' met een beroep op de overheveling van een heel aantal jeugdinternaten, -tehuizen en -centra van Justitie naar WVC die juist in de onderzoeksperiode viel, bovenop allerlei veranderingen in de toch al niet geringe regelgeving op dit gebied. Met reden accepteert de Rekenkamer dit slappe excuus niet: dergelijke veranderingen maken het juist extra noodzakelijk dat het departement de instellingen niet in de steek laat. Opmerkelijk in het Rekenkamer-rapport is niet in de laatste plaats de trage afdoening van het (intensieve) briefverkeer met 'het veld'. Het is als hulpverlener om gek van te worden: je krijgt je geld te laat en als je wat te vragen hebt hoor je niets. Het valt te vrezen dat deze bevinding van de Rekenkamer niet beperkt blijft tot de Directie Jeugdbeleid. Ontoereikende informatieverstrekking aan de burger wordt in het jongste jaarverslag van de Nationale Ombudsman betiteld als 'een taai probleem dat in elk jaarverslag terugkeert'.

Dat geldt zowel het aspect van wat hij noemt 'de (langdurig) zwijgende overheid' als gebrekkige informatie over rechten en plichten. DE DUBBELE AANKLACHT van Ombudsman en Rekenkamer krijgt te meer relief in het licht van de officiele retoriek met betrekking tot informatiebehandeling bij de (rijks)overheid. Deze presenteert de moderne techniek als panacee en trekt daar inmiddels ook per jaar om en nabij de drie miljard gulden (de budgettering wil nog niet zo vlotten) voor uit. Maar daarvoor wordt ons dan ook 'bestuurlijke vernieuwing' in het vooruitzicht gesteld, zoals het heet in de titel van het eindrapport dat een commissie onder voorzitterschap van oud-VNO-voorzitter Ch. van Veen dit voorjaar aan de regering uitbracht. Als een ding daarvoor in aanmerking komt dan is het iets elementairs als de departementale postbehandeling, zou men zeggen. Dat is toch bepaald niet te hoog gegrepen in vergelijking met de 'civic service centers', die de commissie-Van Veen ons voorspiegelt: inloopkantoren waar de burger pakweg negentiende van zijn beslommeringen met de instanties langs elektronische weg kan regelen. VERNIEUWING? Het mocht wat. De bevindingen van de Rekenkamer bevestigen eerder de recente waarschuwing van een Kamerlid uit het regeringskamp 'dat wij weer de bestaande wantoestanden gaan automatiseren'. Uit onderzoek van de Werkgroep 2000 bij de gemeenten bleek trouwens dat de kans nog maar fifty-fifty is of verbetering van de kwaliteit van dienstverlening aan de burger uberhaupt wordt meegenomen in de doelstellingen van een automatiseringsproject. Nog afgezien van wat er dan van terecht komt. De veelbelovende slagzin van bestuurlijke vernieuwing steekt nogal af tegen waarschuwingen over de 'kwetsbaarheid' van moderne informatiesystemen die nog slechts enkele jaren geleden de toon zetten. Geen wonder gezien spreekwoordelijk geworden informatiseringsrampen als studiefinanciering, politie-automatisering en het fraudebestendige paspoort. Waar het aan schortte wilde de coordinerend bewindsman voor het overheidsinformatiebeleid, minister Van Dijk van Binnenlandse Zaken, wel toegeven: 'politiek-inhoudelijke sturing'.

Dat constateerde de minister medio 1988 in een beleidsnota die vrijwel op de kop af twee jaar moest wachten voordat hij onder zijn opvolger kon worden behandeld in een uitgebreide commissievergadering van de Tweede Kamer. De bijeenkomst haalde met moeite de vakpers waarin deze werd getypeerd als 'een matte vertoning met een niet echt geinteresseerde of geinspireerde minister en met ontevreden Kamerleden'.

Als dat politiek-inhoudelijke sturing moet voorstellen dan houdt men zijn hart vast voor wat de bestuurlijke vernieuwing gaat worden.

EEN KERNPROBLEEM is dat overheidsautomatisering eigenlijk helemaal niet is begonnen om emancipatie van de burger, maar juist om versteviging van de overheidsgreep op de burger. Aangezien controle en toezicht niet altijd makkelijk liggen, wordt dit aspect maar liever zoveel mogelijk versluierd. De Kamer doet daaraan zelf overigens lustig mee. Een klassiek voorbeeld is een motie uit 1983 waarin in het kader van de fraudebestrijding werd aangedrongen op onverwijlde invoering van het sociaal-fiscaal persoonsnummer voor iedere burger onder 'voldoende waarborgen voor de privacy'.

Er was zelfs geen hint hoe deze onmiskenbaar botsende verlangens dienden te worden verenigd. De verdere vormgeving aan het 'sofi-nummer' is er naar geweest. Er zullen weinig Nederlanders zijn die zich realiseren dat er op het ogenblik hard wordt gebouwd aan een elektronisch netwerk dat hun hele arbeidsverleden ook details die men prefereert te vergeten in beginsel uitwisselbaar maakt voor de instanties. Officieel heet het sofi-circuit 'een gesloten systeem', maar verdere uitbreiding is volop in de maak. Er is nog enige onenigheid over de vraag of de vreemdelingenpolitie dat nummer moet krijgen, maar de gemeentelijke sociale diensten lijken zo goed als rond en de ziekenfondsen komen er aan. 'Ik heb veel kritiek gehoord, maar nooit hoe het dan wel zou moeten' is het enige wat voorzitter De Vries van de Registratiekamer, die over onze privacy moet waken, weet op te brengen in een recent vraaggesprek met de Staatscourant. Maar het kan best anders. Frankrijk heeft destijds uit privacy-overwegingen de sociale en fiscale nummersystemen bewust gescheiden. Canada heeft in 1988 het gebruik van dit nummer bij een aantal regelingen teruggedraaid. HET SYSTEMATISCH ontwijken van de serieuze rechtsvragen die de overheidsautomatisering oproept draagt bij tot een algeheel klimaat van bestuurlijk onvermogen. Zo komt de post van de jeugdhulpverlening nooit op tijd.