'Een McEnroe zal nooit meer tot de top behoren'

ARNHEM, 16 aug. Met enige verbazing kijkt tenniscoach Martin van Dalen dezer dagen op Papendal om zich heen. Op de beroemde Harry Hopman-school in Florida werkt Van Dalen met Amerikaanse tennissterren als Jennifer Capriati en Jim Courier. Maar ondanks zijn indrukwekkende curriculum vitae bestaat er tijdens de Sportfondsweek van Leo van der Kar weinig belangstelling van zijn Nederlandse collega-coaches voor de 'Amerikaanse trainingen' die hij zijn groepje jonge tennissers dagelijks voorschotelt. 'Behalve een paar oud-collega's uit het district Overijssel heb ik hier nog niemand gezien. Er zou eigenlijk ook zo'n week voor jonge trainers moeten zijn.' Acht buitenlandse en twee Nederlandse toptrainers zijn uitgenodigd voor de zesde Sportfondsweek, die is bedoeld om jonge Nederlandse talenten in tien takken van sport een duwtje in de rug te geven. Behalve de reguliere sporten tennis, tafeltennis, zwemmen, atletiek, softbal, badminton, turnen en gewichtheffen zijn nu ook boksen en golf opgenomen. In totaal maakten deze week 150 aankomende topsporters gebruik van de invitatie van het Sportfonds Leo van der Kar.

Op de techniek van Nederlandse sportmensen, zo concluderen de meeste coaches, valt weinig aan te merken, maar aan de mentaliteit en aan de variatie tijdens trainingen kan nog wel wat gesleuteld worden. Martin van Dalen, die vier jaar geleden het tennisdistrict Overijssel verruilde voor de Hopman-school in Florida, verbaast zich bij zijn terugkomst op Nederlandse bodem over het feit dat er in Nederland zo weinig aandacht bestaat voor andere trainingsmethoden. Volgens hem biedt juist een evenement als de Sportfondsweek voor trainers een uitgelezen mogelijkheid in eigen land in contact te komen met buitenlandse trainers. 'Ze hoeven niet allemaal de Amerikaanse manier over te nemen, maar het is goed als er wat variatie in het vaste trainingspatroon komt.'

Nederlandse toptrainers hebben die kennis wel, meent Van Dalen. Maar de club- en districtstrainers, die de jongste tennissers de basisbeginselen bijbrengen, zouden naar het buitenland moeten gaan om te zien hoe daar wordt gewerkt.

Van Dalen noemt de opleiding van Nederlandse tennistrainers 'misschien wel de beste ter wereld. Die opleiding duurt in Nederland twee jaar, in de Verenigde Staten ben je binnen een week trainer. Maar de Amerikanen zijn veel meer op de praktijk gericht. Paul Haarhuis is ook doorgebroken nadat hij in de Verenigde Staten had getraind. Als hij in Nederland was gebleven had hij nu niet zo hoog op de wereldranglijst gestaan.'

Techniek

Volgens Van Dalen schenken de Nederlandse trainers te veel aandacht aan de techniek van de spelers en speelsters. 'Daar moeten de trainers een keer van af. Als iemand zes of zeven jaar heeft getennist moet je geen wezenlijke dingen meer aan de techniek veranderen, afgezien van de fine-tuning. Anders krijgt een speler alleen maar negatieve dingen te horen. Dat is slecht voor het zelfvertrouwen. Als je een ervaren automobilist gaat vertellen wat hij allemaal fout doet, gaat hij ook aan zichzelf twijfelen. Op een gegeven moment moet je een bepaalde spelstijl van iemand accepteren en aan andere dingen gaan werken.' In de Verenigde Staten maakte Van Dalen kennis met die 'andere' trainingsmethode, bekend als de 'drill', waarbij het voor de speler vooral op fysieke kracht en reactievermogen aankomt. 'Wij confronteren de speler zo vaak met een bepaalde situatie dat hij precies weet hoe hij daarop moet reageren. Het is vrij eenvoudig, maar simpele trainingen zijn vaak de beste.'

Het hedendaagse tennis vraagt volgens Van Dalen om snelle rally's, volleren en krachtige slagen. 'Technisch begaafde spelers als McEnroe zullen nooit meer tot de wereldtop behoren. Daar is meer voor nodig.' Een ander opvallend verschil tussen Nederlandse en Amerikaanse sportmensen is volgens Van Dalen de mentaliteit. 'Nederlanders zijn bang dat ze te fanatiek zijn. In Nederland is men heel kritisch over iemand die alles voor zijn sport over heeft. De tennissers die ik deze week heb getraind geven toe dat ze zich op een training minder inspannen dan tijdens een wedstrijd. Dat komt ook omdat de trainers het te gemakkelijk maken.' De Hongaarse tafeltennistrainer Istvan Chikan, net als Van Dalen voor het eerst actief tijdens de Sportfondsweek, heeft het mentaliteitsprobleem ook bij zijn groep gesignaleerd. Ofschoon hij aangenaam verrast is over het niveau van het Nederlandse tafeltennis, denkt Chikan dat de jeugd een te gemakkelijk leven leidt, en daarom enigszins 'verwend' is. 'De meeste luisteren niet naar hun coach en gaan zelfs een discussie aan. Ik vind dat wel een interessante eigenschap, maar in Hongarije discussieert een speler niet met zijn trainer. Die discipline op trainingen wordt in Hongarije van jongs af aan bijgebracht. Zij geven zich helemaal aan hun sport over.'

Plezier

Martin van Dalen heeft in de Verenigde Staten ingezien dat die houding het verschil bepaalt tussen een goede tennisser en een topspeler. 'Jennifer Capriati gaat tijdens een training zo in haar spel op dat ze vergeet dat ze aan het trainen is. Ze heeft er plezier in om de bal uit alle hoeken van de baan terug te spelen. Daarom wordt ze nooit nerveus als ze een wedstrijd speelt. Ik vroeg haar een keer of ze niet zenuwachtig was geweest toen ze op Wimbledon in de derde set met 3-0 achter stond. 'Nee', zei ze, 'Ik bedacht me alleen dat ik al lang onder de douche had moeten staan. Daarom heb ik de volgende zes games maar gewonnen.' Capriati is pas 14 jaar, maar ik zag aan haar gezicht dat ze het meende. Ik geef toe dat zij een uitzondering is.' Ondanks de kritiek die Van Dalen uitoefent op de situatie in Nederland ziet hij wel perspectief voor de toekomst. 'Ik heb hier een hele goede groep tennissers aangetroffen, maar er zal wel wat moeten veranderen als ze naar de wereldtop willen doorstoten. De tennisbond moet de ontwikkelingen in de sport tijdig signaleren en daar op inspelen. De Sportfondsweek is wat dat betreft een uniek evenement. Het zou eigenlijk drie keer per jaar moeten gebeuren. Een week is te kort. Maar zelfs daarin zie je vooruitgang bij de deelnemers.'