Derde Wereld betaalt gelag van onze economische groei

In het Brundtland-rapport wordt er terecht op gewezen dat armoedebestrijding een grote bijdrage kan leveren om de achteruitgang van het milieu te voorkomen. Maar drie jaren discussie over de voorstellen van Brundtland heeft laten zien dat het kernvoorstel Wat nodig is, is een nieuw tijdperk van economische groei op te weinig kritiek is gestuit. De kritiek wijst er op, dat we er niet zonder meer van kunnen uitgaan (zoals Louis Emmerij in zijn beschouwing over dit onderwerp op de Opiniepagina van 3 augustus doet) dat economische groei tot terugdringing van de armoede leidt, laat staan tot het ontstaan van welzijn. Het laatste door het Worldwatch Institute uitgegeven rapport toont aan dat de 'gap' tussen arm en rijk sedert 1950 alleen maar groter is geworden. Sedert 1980 zijn ook de armen in absolute zin nog armer geworden.

Wat nodig is, is een veel zorgvuldiger overweging van de vraag: welke groei hebben we nodig om de armoede te bestrijden? De aanbeveling van Brundtland is te ongenuanceerd om zonder meer te worden opgevolgd en dat geldt ook voor de ontwikkelingingslanden. Het rapport stelt de vraag waarop Emmerij helaas niet ingaat welke produktie nodig is om de armoede te bestrijden zonder daarbij het milieu zo aan te tasten dat er onoverkomelijke moeilijkheden ontstaan. De duurzame ontwikkeling die we allemaal willen, vraagt keuzes en deze keuzes moeten we voorbereiden en gaan praktizeren. Emmerij gaat mijns inziens onvoldoende in op het vraagstuk van het welzijn zelf.

Aan het eind van de jaren zeventig heeft Emmerij zich krachtig ingespannen om er een concrete inhoud aan te geven; ik denk aan de discussie over de voorstellen van het Internationale Arbeidsbureau ter zake van de verwerkelijking van de basisbehoeften. In het recente artikel kan men lezen dat deze gedachten weer door de Zuid-Commissie aan de orde wordt gesteld. Maar de vraag naar de relatie tussen groei en welzijn is ook van belang voor de geindustrialiseerde landen. De econoom Roefie Hueting heeft destijds in zijn proefschrift (1974) betoogd dat aan het begrip economische groei een diepere inhoud moet worden gegeven dan alleen maar het toenemen van goederen. Waarom zien we niet zo luidde zijn stelling dat het verlies van de functies van het milieu groter is dan de winst aan goederen, die ten koste hiervan wordt bereikt? Het Brundtland-rapport beschrijft dit dilemma, maar gaat er verder niet op in. Ook Emmerij laat het vraagstuk rusten. Ik ga wel een eind met Emmerij mee. Het is immers niet in te zien, dat de verwerkelijking van de basisbehoeften kan geschieden zonder toeneming van de produktie. Maar hoewel ik Emmerij tot bepaalde hoogte wel kan volgen vraag ik mij toch af hoe hij het milieu dan ziet? Ik herhaal nog eens een van dekerngedachten van het Brundtland-rapport: met armoedebestrijding gaat men demilieudegradatie tegen. Hier rijst een afwegingsprobleem. We moeten een grotere produktie voeg ik er aan toe in de Derde-wereldlanden accepteren, maar zeker niet in de geindustrialiseerde landen. Als deze blijven doorgaan met het stimuleren van de produktie en consumptieverhoging blijven zien als vooruitgang, wordt de belasting op het milieu groter. Nog groter dan deze al wordt als gevolg van de onvermijdelijke toeneming van de produktie, die nodig is om te voorzien in de basisbehoeften.

Streefcijfer omhoog

Het is opvallend dat Emmerij in zijn artikel voorbij gaat aan nog twee andere, niet onbelangrijke publikaties. Dit is in de eerste plaats het rapport van zijn eigen 'baas', de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Medio juni 1990 verscheen het jaarlijkse rapport over het hulpvolume, dat in 1989 ten opzichte van 1988 met twee procent gedaald bleek te zijn. De Verenigde Staten slaan weer een jammerlijk figuur, maar de economische trekkers Duitsland en Japan blijven vrijwel steken op hetzelfde hulppercentage (resp. 0.41 en 0.31) is bedenkelijk. Dr. J. Tinbergen heeft er jaren geleden op gewezen, dat het in de Verenigde Naties 'plechtig' aangenomen streefcijfer van 0.7 (van het Bruto Nationale Produkt) ten minste zou moeten worden verhoogd tot 2%. In toenemende mate klinkt ook de vraag van de ontwikkelingslanden voor een extra-bijdrage voor het bestrijden van o.a. de broeikasproblemen. In zijn oratie heeft professor Jepma becijferd dat deze kosten ca. 100 miljard dollar per jaar bedragen, hetgeen een veelvoud is van de officiele hulpverlening. Wat doet de OESO zelf om het totale hulpvolume te laten stijgen? Parijs is toch niet alleen een registratiekantoor? In mei jl. verscheen het Wereldbevolkingsrapport van het Fonds voor Bevolkingsvraagstukken van de Verenigde Naties. Het toonde aan, dat de groei van de wereldbevolking regelrecht afgaat op de 'catastrofedrempel'. We kunnen niet over armoede en milieu schrijven zonder ten minste deze feiten in herinnering te roepen.

Keuzes

In het onlangs door de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking uitgebrachte rapport over De Europese Gemeenschap en de Ontwikkelingssamenwerking (Advies nr. 96) lezen we het volgende: 'Indien de ontwikkelingslanden zich op ecologische gronden gedwongen zien een ander ontwikkelingsmodel te volgen, geldt de noodzaak van duurzame ontwikkeling des te sterker voor de landen van de Gemeenschap zelf. Deze industrielanden leggen immers per inwoner een veel groter belang op hetgeen in de wereld als schaars en uitputbaar wordt beschouwd dan welk ontwikkelingsland ook. De geloofwaardigheid van de positieve stellingname ten opzichte van het Brundtland-rapport zoals de Nederlandse regering tot uitdrukking heeft gebracht zou ernstig worden aangetast, indien de landen van de EG niet bereid blijken tot een wijziging van het eigen beleid. Van arme landen kan niet worden verwacht dat zij streven naar duurzame ontwikkeling, zolang rijke landen als de lidstaten van de Gemeenschap hen hierin niet voorgaan.' Op de noodzaak van een verandering van beleid is ook gewezen door Gamani Corea, de oud-secretaris-generaal van de UNCTAD. Hij sprak van een noodzaak van een revolutie in de 'life styles' van de geindustrialiseerde landen. Het ligt naar mijn mening geheel op de weg van de OESO om voorstellen daartoe te ontwikkelen.