De moeizame geschiedenis van het afgebrande Odeon; Vandeftigheid tot rock 'n' roll

Het zeventiende-eeuwse gebouw Odeon in de Amsterdamse binnenstad is gisteren vrijwel geheel uitgebrand. Daarmee komt vooralsnog een eind aan de zeer uiteenlopende activiteiten, waaraan Odeon in ruim anderhalve eeuw onderdak heeft geboden van concertzaal tot theater, van bioscoop tot discotheek.

De heer O. was abonnee van het Algemeen Handelsblad; de initiaal vormt de enige ondertekening van de ingezonden brief die zijn krant op zaterdag 16 november 1901 publiceerde onder het alarmerende kopje Brandgevaar in Odeon. De voorgaande avond had hij, zo begint zijn schrijven, in het gebouw aan het Singel een Ueberbrett'l-voorstelling gezien, een uit Duitsland afkomstige voorloper van wat later een cabaretprogramma zou heten. Maar zijn avond werd geheel vergald door prangende vragen over de veiligheid in de zaal: veel te veel mensen bij elkaar, veel te weinig noodlichten en een zodanig gedrang in de koffiekamer dat men gedwongen was zijn consumptie te gebruiken in een der veel te smalle gangen.

De maandag daarop volgde het antwoord van pachter J. H. van Oort. De heer O. had, vond hij, eerst maar eens bij hem moeten informeren. Hoe durfde hij te suggereren dat de veiligheid van de bezoekers in het gedrang kwam? 'Het brandgevaar in Odeon is al zeer gering en wel door algeheele afwezigheid van decor, gordijnen, draperieen en houtbetimmering, terwijl 2 thans gereed zijnde nooduitgangen bewaakt worden, om ingeval van gevaar onmiddellijk te worden opengezet.'

Nee, het zat heus wel goed. Het zou nog bijna 89 jaar duren voordat de gevreesde brand toch uitbrak. En bezoekers waren er op dat moment niet in huis; er werden al jarenlang geen voorstellingen meer in het gebouw gegeven.

In de geschiedenis van Odeon (het accent is er in de loop der jaren afgevallen) zijn zulke wanklanken spaarzaam. Telkens als het elegante pand een nieuwe bestemming kreeg, overheerste de dankbaarheid over het feit dat het weer in gebruik werd genomen. Wat dat betreft was er geen verschil tussen 1838, toen de concertzaal werd ingericht, en 1981, toen de huidige exploitanten hun discotheek openden. Iedere keer had het jaren leeggestaan, steeds mocht men de initiatiefnemers prijzen die het weer nieuw leven inbliezen. 'Het kapitale, zeer gunstig gelegen gebouw', zoals het ooit in een advertentie werd aangeprezen, was aanvankelijk een woonhuis. De schatrijke Amsterdamse koopman Gilles Marselis gaf de architect Philips Vingboons in 1661 opdracht het te bouwen. Eerder had op die plek de brouwerij Het Lam gestaan. Marselis wenste, zoals zijn collega-kooplieden, ampele woon- en opslagruimte. Dat kreeg hij; tevens werd de gevel passend dus ietwat protserig gedecoreerd, zodat iedere passant kon zien dat hier een rijk man woonde.

In het begin van de negentiende eeuw werd het bewoond door de notabele stadsgenoot Mojana. Toen deze stierf, trok het huis de aandacht van een groep 'aanzienlijke liefhebbers en bevorderaars der toonkunst', wie het al geruime tijd een doorn in het oog was dat Amsterdam niet beschikte over een adequate concertzaal. De beschikbare schouwburgen waren in akoestisch opzicht zo goed als onbruikbaar en van een Concertgebouw was nog lang geen sprake. De heren kochten de woning van Mojana's erfgenamen en richtten op de tweede verdieping een concertzaal in, volgens het Algemeen Handelsblad van 20 oktober 1838 (drie dagen na de opening) 'met eene pracht en met zoo veel smaak gedecoreerd, als men tot heden toe nimmer in openbare gebouwen gezien heeft'.

Men noemde het gebouw Odeon afgeleid, naar een gedienstig naslagwerk uit die tijd vermeldt, van Odeion, de ruimte waarin oden worden voorgedragen.

In de kolommen van het Handelsblad las men niets dan lof. 'De ligging van het gebouw in het midden der stad is allergunstigst, en ook voor het wachten der rijtuigen is in den omtrek de allerpassendste gelegenheid.'

De kleine zaal leende zich uitstekend voor het nuttigen der consumpties, de trappen en gangen waren uitermate geschikt voor het maken van een kleine wandeling 'waarvan, naar men zegt, ook de dames zullen gebruik maken.'

En het belangrijkste: de akoestiek was voortreffelijk, zoals bleek uit het inwijdingsconcert door Muzijkgezelschap Blaas- en Strijklust. 'Niettegenstaande de keurige stoffering en grootte gevoelt men er niet de minste gedwongenheid, 'heette het een maand later. 'Integendeel heeft de zaal iets behagelijks; iets vertrouwelijks, dat bij de bezoekers een aangenaam gevoel verwekt.' Gedurende de tweede helft van de vorige eeuw groeide het aantal bespelers van Odeon. In 1884 kwam de Wagner Vereeniging erbij, later volgden kleinkunstenaars als Eduard Jacobs en J. H. Speenhoff. Toen de klassieke muziek zijn eigen tempel aan de rand van de oude stad kreeg, verdwenen de concerten. Nu dienden zich toneelgezelschappen aan, die elders geen ruimte vonden. De outillage was daarvoor echter minder geschikt; het toneel was te klein, decors pasten niet. Eduard Verkade speelde er een 'verinnerlijkte' versie van de Hamlet, zijn collega Willem Royaards hield voordrachtsavonden. Vaste bespelers dienden zich echter niet aan.

Misschien kon men er beter een bioscoop-theatre van maken. Dat gebeurde op 1 december 1912 en uiteraard stond het Algemeen Handelsblad er weer met de neus bovenop. De verslaggever prees de explicaties van mejuffrouw Nelly Nieuwstraten en het vioolspel van Guillaume Bos bij de geluidloze beelden. De premiere verliep bemoedigend: 't Haperde af en toe, maar de fouten werden vlug hersteld en kunnen nu niet meer voorkomen.' Ook de bioscoopexploitanten lieten echter in hoog tempo passendere locaties bouwen. Vijf jaar later was de film weer weg uit Odeon. De acteurs Vincent Berghegge en Jos. van der Velden namen daarop het initiatief tot een speciaal Odeon-gezelschap, waartoe de speelvloer 'naar de modernste eischen der kunst' werd vergroot. Maar ondanks het succes van de openingsvoorstelling Het groote schouwtooneel der wereld gaven ze een jaar nadien de moed alweer op.

Gaandeweg verdween de cultuur uit het gebouw. Odeon deed tijdens de bezetting dienst als noodhospitaal en daarna werd het een veilinglokaal, waarvan alleen het souterrain in september 1952 nog een min of meer culturele bestemming kreeg: het heette voortaan De Odeon Kelder en werd onder de roepnaam DOK een societeit voor de 'homophiel', volgens een romancier uit die dagen 'een in alle uithoeken van de internationale nichtenwereld bekende schuilkerk'.

Het DOK moest begin vorig jaar wegens klachten over geluidshinder en de teruglopende toeloop de poorten sluiten. Sedertdien is er een jazz-kelder gevestigd, die blijkens de uitgaansagenda vanavond het optreden zou presenteren van het Curtis Clark Kwartet.

De rest van het gebouw kwam pas in 1973 weer in het nieuws, toen filmproducent Rob Houwer plannen ontvouwde voor een Nationaal Filmtheater, waar belangstellenden voor 10.000 gulden een eigen stoel met naamplaatje konden kopen. Daarvan werd al snel niets meer vernomen. In- en exterieur verpieterden in hoog tempo. Toen de huidige huurders in 1981 een ingrijpende opknapbeurt lieten verrichten, kostte hen dat zeven ton. Van hun theaterplannen kwam weinig terecht, omdat de gemeente daarvoor subsidie weigerde. Wat restte, was een joviaal cafe en een discotheek met aan rock en roll gewijde avonden. De horeca had de plaats ingenomen van het theater.

Nu ook daaraan sinds de brand van gisteren een voorlopig eind is gekomen, kan alsnog het naschrift worden geciteerd dat de redactie van het Algemeen Handelsblad in 1901 onder de brief van de heer O. zette: 'Uit een door ons ingesteld onderzoek bleek dat het Odeon zeker niet een van die gebouwen is waar alles zoo is ingericht als men in een nieuw gebouw tegen brandgevaar zou kunnen vergen. Niettemin is er veel aan dat gevaar gedaan.'