CLAUDE MILLER VERFILMDE EEN VERHAAL VAN FRAN(C,)OIS TRUFFAUT; Voor wie ik liefheb wil ik stelen

'Ik heb maling aan uw respect'. Janine is 16 jaar en zij voelt zich of ze in een goudvissenkom leeft. Ze fantaseert, ze liegt, ze steelt, maar niets sorteert noemenswaardig effect. Ze zou haar pink geven voor oprechte aandacht, voor menselijke warmte. Ze wil de eerste volwassen man die haar serieus neemt verleiden en dan begint hij te zemelen over haar leeftijd, zijn vrouw en de vrouwelijke eerbaarheid die hij zo respecteert.

Er valt Janine een hoop aan te rekenen, maar haar gebrek aan scrupules is doorzichtig voor wie haar voornaamste karaktertrek in het oog houdt: Janine weigert het belang in te zien van de hypocrisie waarmee 'nette mensen' elkaar benaderen en evenmin wil ze haar voelhoorns uitsteken voor burgerlijke conventies. Ze steelt niet uit kwade inborst, ze steelt omdat ze steelt. Ze doet wat goed is, voor haarzelf en voor wie ze liefheeft. Ze droomt van filmsterren en van hun glamour, dus steelt ze een satijnen onderjurk, of iets anders dat deel uitmaakt van haar fantasieen. Heeft de onwillige minnaar eindelijk aan haar verlangens toegegeven, dan pikt ze een duur boek voor hem. Zit haar oom in geldnood dan haalt ze iets weg uit de omgeving van de minnaar.

Om Janine draait La petite voleuse, de beste film die in jaren uit Frankrijk kwam, met een perfecte hoofdrol van de jonge Charlotte Gainsbourg, slungelig, pruilend en aandoenlijk. Medeoorzaak voor het hoge gehalte is ongetwijfeld dat het verhaal nog werd geschreven door Francois Truffaut. Truffaut overleed in het najaar van 1984, veel jong en op het hoogtepunt van zijn artistieke kunnen. Met zijn verscheiden leek de Franse filmkunst overgeleverd aan modieuze blaaskaken en quasi-diepzinnige opscheppers. Het door Truffaut hoog gehouden elegant vertelde verhaal dat op natuurlijke wijze tederheid en wreedheid wist te koppelen, omdat het leven nu eenmaal zo te werk gaat, leek verloren voor de Europese film. Het werd nog slechts verdedigd door een enkeling als Louis Malle of Maurice Pialat.

Kort voor hij stierf, vertrouwde Truffaut aan zijn vriend Claude Berri twee synopses toe, verhalen voor films waar hij zelf niet meer aan toe zou komen. Een ervan heette La petite voleuse. Hij had er al aan gewerkt sinds zijn debuut Les 400 coups (1959). Oorspronkelijk maakte het er zelfs deel van uit: naast het jongetje (de nog piepjonge Jean-Pierre Leaud) dat niet wilde 'deugen' zou een vergelijkbaar kameraadje, een meisje, opereren. Berri gaf de dertig pagina's tekst aan Claude Miller behalve assistent van Truffaut bij acht van diens films, maker van een aantal indrukwekkende psychologische films met een consequent harde ondertoon.

Miller las het verhaal, werkte een scenario uit, maakte de film en kwam tot een verbluffend resultaat. La petite voleuse draagt zeker herkenbare Truffaut-elementen in zich, sommige vermoedelijk ook bedoeld als eerbetoon, of als groet aan de gestorven vriend en collega. Maar het werd geen slaafs bewonderende film. Het werd zelfs een typische Miller-film. In onnadrukkelijke maar betekenisrijke kleurstellingen, met een beheerste camera en gedragen door een eminente acteursregie vertelt hij hardvochtig en onromantisch zijn verhaal. Daarbij handhaaft hij zijn oneindige sympathie voor de hoofdpersoon zo krachtig dat ook de meest moralistische toeschouwer zich er niet aan zal kunnen onttrekken.

Miller concentreerde zich op meer dan het portret van een opgroeiend meisje dat besluit geen kind meer te willen zijn en gaat verder dan een studie van de 'onverbeterlijkheid'. Hij schiep met La petite voleuse een beeld van een verdwaalde generatie. Het jaartal is 1950, lezen we aan het begin van de film, en de openingstitels worden doorsneden met journaalbeelden van de bevrijding van Frankrijk. We zien uitzinnig joelende mensen, op straat dansende en flirtende vrouwen, meisjes die zich door GI's op tanks laten hijsen. De vrolijkheid wordt echter afgewisseld met beelden van het kaalscheren van vrouwen, met een indruk van de in angst verwrongen gezichten van nog maar net volwassen meisjes, omringd door hen uitjouwende mensen.

Janine wordt opgevoed door haar oom en tante. Van haar moeder hoort ze nooit iets, die is vertrokken 'naar Italie'. Stukje bij beetje en nimmer expliciet wordt gesuggereerd dat dat vertrek misschien samenhing met het lot van de kaalgeschoren, vernederde vrouwen. Janine is, net als de enkele leeftijdgenoten met wie ze vriendschap sluit, een kind dat onzichtbaar maar diep werd gewond door de Tweede Wereldoorlog. Wie volwassen was bij het uitbreken ervan kon in 1945 terugvallen op vooroorlogse waarden en normen. Wie opgroeide in die troebele dagen en getuige was van de bandeloze uitgelatenheid tijdens de bevrijdingsdagen, had daarna geen houvast meer. Zeker wanneer dierbare familie zich onder geheimzinnig gehouden omstandigheden uit de voeten had gemaakt, was het raadzaam zich koest te houden, als een schim zijn leven te leiden en onderdanig met de goegemeente te meesmuilen om flagrant onrecht, zoals de rijkdom van de plaatselijke engeltjesmaakster met haar glazenkast vol schatten van armlastige meisjes.

Hoe weinig Miller opheeft met het bourgeois-fatsoen van die dagen spreekt uit een klein detail: wanneer de tuchtschool-klas waar Janine in belandt naar de kerk gaat, staan er, iedere zondag, drie mensen te wachten. Het ene kind, ze is zo'n jaar of zeven oud, scheldt het grauwe rijtje gevangen meisjes uit. Haar kleine broertje kijkt toe, haar moeder knikt goedkeurend. Dat is de teneur van die deugdzame Franse opvoeding, zo worden de kleine Fransjes groot, fluistert Miller hier op een woedende sistoon. En wij begrijpen nog beter waarom hij Janine haar een geslaagde toekomst toewenst. En hoeveel hij van haar houdt.