WIEBELCIJNS

Er is een wildgeworden Arabische dictator voor nodig om de wereld even wakker te schudden. Opeens beseffen we het weer: de meeste olie zit nog steeds in het Midden-Oosten onder de grond. De landen die samen de OPEC (Organization of Petroleum Exporting Countries) vormen, bezitten meer dan tweederde van de bewezen reserves aan ruwe olie. De politiek was dit de laatste tijd een beetje vergeten. Immers, de OPEC was in het midden van de jaren tachtig zijn greep op de olieprijs kwijtgeraakt. Tijdens OPEC-vergaderingen werd alleen nog maar gekibbeld.

Dat was in de jaren zeventig heel anders. Een groot aantal olieproducerende landen was met elkaar overeengekomen dat zij tegenover hun afnemers allemaal een en dezelfde verkoopprijs voor een vat olie zouden hanteren. Ze hadden een olieprijskartel opgericht. Onder de bekwame leiding van de olieminister van Saoedi-Arabie, Yamani, werd de prijs voor ruwe olie van 2 dollar per vat (eind jaren zestig) opgevoerd naar 35 dollar in 1980. De wereld heeft daarvan toen een enorme optater gekregen. Zo'n forse olieprijsverhoging werkt door tot in alle uithoeken van de samenleving. Je merkt het de volgende dag al aan de pomp; maar een week later blijkt ook een kilo worteltjes ietsje duurder te zijn geworden. Bedenk maar eens een produkt waar niet op een of andere manier 'energie' in is verwerkt. Het duurder worden van de dingen heeft in eerste aanleg als gevolg dat de mensen minder gaan kopen. Als ze even doordenken, weten ze wel dat te zijner tijd ook hun inkomens omhoog zullen gaan, maar er wordt maar weinig doorgedacht. Eerste reactie dus: minder besteden. Op die manier hebben de drastische verhogingen van de energieprijs bijgedragen tot de depressie van begin jaren tachtig. Een wereldeconomie die op zijn rug ligt, kan met minder energie toe. En dat merkten de olieleveranciers aan hun teruglopende verkopen.

Effecten

De OPEC kreeg overigens niet alleen langs deze weg last van zijn eigen prijspolitiek. Het Westen ging ook bezuinigen op energie: verwarming lager, zuiniger motoren, gestroomlijnder auto's, minder energie-intensieve produktie, enzovoorts. Olievindplaatsen buiten de OPEC werden bij deze hoge prijs opeens winstgevend en konden dus worden geexploiteerd. We schakelden ook om op andere brandstoffen. Een land had het allemaal echt goed begrepen: Frankrijk haalt momenteel alvast 75 procent van zijn elektriciteit uit kernenergie. Voor de OPEC had dit alles bij elkaar het onaangename gevolg dat de geldopbrengsten van hun oliehandel begonnen terug te lopen. En zo machtig als die olie-sjeiks en -emirs zijn, ze zijn ook heel kwetsbaar. Hun economieen zijn nog afhankelijker van olie dan de onze. Bij sommigen steeg de nood zo hoog dat ze stiekum tegen een lagere prijs gingen leveren. Nu is de discipline binnen een kartel altijd al een moeilijk punt. Het is natuurlijk erg aantrekkelijk om - als de anderen allemaal twintig dollar per vat vragen - stilletjes voor achttien dollar te leveren. Er kwam heibel. Er werden nieuwe afspraken gemaakt: elk lid van het kartel mocht niet meer dan een bepaalde hoeveelheid vaten per dag produceren. Door zo'n produktiebeperking probeerde men het aanbod van ruwe olie te verminderen, waardoor de prijs zou moeten stijgen. Maar ook deze afspraken werden ontdoken. Begin 1986 was de prijs gezakt naar dertien dollar per vat. De OPEC was uitgeteld.

En toen gingen we met z'n allen in de fout. We reden weer 140, de verwarming ging omhoog, we dobberden tevreden in verwarmde zwembaden, de diepgevroren croissants gingen even in de magnetron. Het kon niet op. Het onderzoek naar alternatieve energiebronnen werd op een laag pitje gezet. De exploratie van niet-OPEC olievelden werd naar de achtergrond geschoven. Met dat al is de laatste jaren de afhankelijkheid van OPEC-olie weer vrolijk opgelopen.

Actie

In de loop van juli demonstreerde de Iraakse Saddam Hussein een wel heel ruwe manier om de discipline in een kartel te handhaven. Nadat het met 'overleg' niet was gelukt zijn mede-aanbieders tot een hogere olieprijs te bewegen, begon hij te dreigen. Toen ook dit onvoldoende hielp, ging hij nog een paar stappen verder en liep zijn buurman Koeweit onder de voet. In het bedrijfsleven zou men dit een vijandige overname noemen. Het Westen weet nu dat veertig procent van de oliereserves worden gecontroleerd door een buitengewoon gevaarlijke en onberekenbare man.

In de achter ons liggende jaren hebben economen er herhaaldelijk - ook in deze krant - voor gepleit de schokken in de prijs van ruwe olie op te vangen. En wel door de accijns op benzine en aanverwanten variabel te maken: een 'wiebelcijns'. Men zou het eerst met elkaar eens moeten worden over een prijs voor een liter super waarbij het zoeken naar alternatieven interessant blijft. Niet te laag dus. En die prijs zou op dat niveau gehandhaafd moeten blijven. Het is de som van de prijs voor ruwe olie, distributiekosten, accijns en BTW. Zou de prijs van ruwe olie stijgen dan moet de accijns omlaag en bij een daling van de ruwe olieprijs moet hij omhoog. Het zou goed zijn dit mechaniek in een wetje vast te leggen. Politici zijn immers beter in het roepen om verlaging van de accijns - ook nu weer - dan in het doorvoeren van een verhoging.

Het stabiliseren van de literprijs op deze manier geeft duidelijkheid. Investeerders in niet-OPEC olievindplaatsen en in alternatieve energiesoorten weten waar ze de komende jaren op kunnen rekenen. Op die manier blijven we ons ervan bewust dat we zuinig met energie moeten omspringen en blijven we bezig alternatieven te zoeken. Dat is een stuk handiger dan in te dommelen zodra ze in het Midden-Oosten de olieprijs verlagen om dan pas weer wakker te schrikken als ze hem verhogen.