Wat meer is dan die schijn, leeft in mijn hart; Hamlet alsregisseur

'De bedoeling van het toneel is de natuur als het ware een spiegel voor te houden, 'zegt Hamlet in zijn monoloog tegen de toneelspelers, waarin hij de kunst de leermeesteres laat zijn van de natuur. Sinds Hamlet zo'n drie eeuwen geleden voor het eerst werd opgevoerd, kan toneelkunst geen klakkeloze imitatie meer zijn van de werkelijkheid.

Het theater is de schouwplaats van de ziel. Het is naar letterlijke betekenis geen spiegel. Was het theater een spiegel, dan zou een voorstelling niets anders reflecteren dan de mensen in de zaal. Theater is een spiegel die gedachten en hartstochten weerkaatst die de mens zelf niet kan waarnemen. Theater weerspiegelt het innerlijk. Toch liggen de begrippen schouwplaats en spiegel dicht bij elkaar, menigeen verwart ze zelfs met elkaar. Hoe vaak kwam ik de uitdrukking niet tegen dat theater is als de spiegel waarin de mens zichzelf weerkaatst ziet.

Op het toneel komen veel spiegels voor, al van oudsher. Een spiegel op het toneel heeft een dubbele betekenis. De toeschouwer die kijkt naar de acteur die blikt in de spiegel identificeert zich met de acteur, zodat het is alsof de toeschouwer zelf in de spiegel staart. Toch kijkt een toneelspeler nooit rechtstreeks in de spiegel, altijd van opzij. Wat hij ziet is niet zichzelf, maar de zaal. Hij moet de spiegel wel enigszins van zich afgekeerd houden, anders is er geen mens in de zaal die zijn weerkaatste gelaat ziet.

Een spiegel is veel meer dan een lichaam waarvan het oppervlak licht terugkaatst, op zodanige wijze dat er een beeld ontstaat. Die beeltenis kan iets van ons wezen onthullen dat we niet willen weten; we kunnen haar ook haten of liefhebben. Koning Richard II van Shakespeare bijvoorbeeld slaat langdurig zijn spiegelbeeld gade in het volle besef dat hij als koning is afgezet. Toch is hij van koninklijken bloede. Deze tegenspraak verwart hem zodanig dat hij uiteindelijk de spiegel aan gruzelementen slaat. Als hij geen koning meer is, dan is hij toch niets? Hij wil degene tegenover hem niet langer in de ogen blikken.

Een spiegel wijst op ijdelheid. Dat klopt bij Richard II, de meest speelse, poetische en wispelturige koning uit Shakespeare's galerij. Wij dichten aan een spiegel de mogelijkheid toe de mens een beeld voor te houden van diegene die hij zou willen of moeten zijn. Deze rol spelen spiegels bij Shakespeare, die bekend was met het gebruik van zijn tijd om handleidingen voor vorsten een 'spiegel' te noemen. Zo'n spiegel biedt geen exacte weergave van het gedrag van een vorst, maar schrijft hem voor hoe zich wellevend en hoffelijk te gedragen. De spiegel symboliseert het ideaal waaraan Richard niet langer kan voldoen. Daarom smijt Richard II de spiegel aan scherven; hij raakt in paniek omdat de spiegel hem de waarheid toont van een onttroond vorst. Artis Natura Magistra: de natuur is de leermeesteres van de kunst. In de befaamde monoloog van Hamlet tegen de toneelspelers draait Hamlet dit adagium om. Hij zegt: 'de bedoeling van het toneel, die van oudsher was (en nog altijd is): de natuur als het ware een spiegel voor te houden, de deugd haar eigen trekken te tonen, de laagheid haar eigen beeld, elke tijd zijn eigen wezen en stempel.'

(Vertaling Bert Voeten)In deze passage is veel aan de hand, ze staat met de toneelspelersscene dan ook niet voor niets in het hart van de tragedie, vlak aan het begin van het derde bedrijf, alle lijnen van het verhaal komen erin samen. Hamlet heeft een list bedacht, bijgestaan door zijn onbetrouwbare vrienden Rosencrantz en Guildenstern. Hij laat acteurs een spel opvoeren dat de moord op de hertog van Gonzago heet, met als bedoeling dat Claudius, de moordenaar van Hamlets vader, bevangen raakt door schuld en zichzelf ontmaskert. Hamlets opzet lukt. De tragedie gaat verder en eist zijn slachtoffers.

Maar laten we terugkeren naar het advies van Hamlet aan de toneelspelers. Daarin gaat het over de fragiele verhouding tussen kunst en natuur.

Stadsomroeper

Hamlet begint met het beledigen van de eerste speler, die een tekst moet zeggen die de prins voor hem heeft geschreven. Het stuk heet De Muizenval. Hij zegt: 'Doe mij een genoegen, en zeg die regels zoals ik ze je voorgezegd heb: luchtig, langs je neus weg. Als je ze uitschreeuwt, zoals zoveel spelers doen, dan had ik net zo lief dat de stadsomroeper mijn verzen rondbazuinde. En maai niet te veel met je armen; beheers je gebaren; want juist in de stortvloed, de storm, ik mag wel zeggen de wervelwind van je hartstocht moet je je weten te matigen; met grofheid bereik je niets. O, 't snijdt me door mijn ziel als ik zo'n lompe gepruikte beer een hartstochtelijke monoloog aan flarden hoor trekken ten pleziere van het schellinkje, dat doorgaans alleen ontvankelijk is voor spektakel. Ik zou zo'n kerel kunnen laten ranselen .'

En vervolgens komt hij tot de uitspraak die de essentie weergeeft van Shakespeare's visie op het acteren: 'Laat je leiden door je eigen oordeel regel je gebaar naar je woord, je woord naar je gebaar, en zorg daarbij vooral dat je de natuurlijke gematigdheid niet te buiten gaat. Want iedere overdrijving is strijdig met de bedoeling van het toneel, die van oudsher was (en nog altijd is): de natuur als het ware een spiegel voor te houden .' Er is Hamlet alles aan gelegen dat zowel de pantomime als de door hem geschreven monoloog welslagen. Bovendien is Hamlet zelf een acteur, de hele tragedie door, hij is nooit zo op zijn plaats als wanneer hij een van de vele rollen vertolkt waaruit zijn personage is opgebouwd. Hij dramatiseert zichzelf en zijn omgeving. In zijn raad aan de toneelspelers dringt Hamlet erop aan dat kunst het leven niet eenvoudigweg moet weergeven maar dient te illumineren, dus er een helder licht op werpen. Net zoals je een gravure of een tekening opwerkt met heldere kleuren.

Shakespeare heeft veel reden de ouderwetse toneelkunstenaars, die 'galmende pruikebollen' zoals Gerrit Komrij vertaalt, aan de schandpaal te nagelen. Met de monoloog werpt hij zich in de War of the Theatres die woedde rond de eeuwwisseling van 1600. Acteurs in het oude drama verwarden toneelspelen met luidruchtig exhibitionisme, ze verdienden het dat Shakespeare hen bij monde van zijn titelheld de mantel uitveegde, zo afgrijselijk bootsten zij het mensdom na. Hamlet: 'O, ik heb spelers gezien die zo opgeprikt heen en weer beenden en zo bulkten, dat ik dacht: de een of andere handlanger van de natuur heeft mensen willen maken, maar ze verknoeid.' Zo gaat Hamlets tirade voort. Shakespeare hield in deze monoloog van Hamlet een pleidooi voor zijn eigen ideale acteerstijl: een spel waarin de speler niet overdrijft, natuurlijkheid en beheersing nastreeft, en in zijn presentatie zoekt naar het evenwicht in plaats van de woorden met gebral te grabbel te gooien en grootse maar zinloze gebaren te maken. Het oude drama is primitief-sentimenteel, groter dan het leven zelf maar onwerkelijk. Verkeerd begrepen naaperij van de natuur. Het nieuwe drama imiteert niet maar creeert. In de handboeken voor het acteren uit de vorige eeuw zien we er nog afbeeldingen van: de toneelspeler als een aangekleed levend standbeeld. Rechterarm in de hoogte, linkerhand steunend in de zij. De statische, puur classicistische pose, die jaren gold als maatstaf voor Shakespeare's toneelwerk maar er in feite niets mee van doen heeft.

Hamlet wil dat toneelspelers de natuur imiteren zonder van die natuur een karikaturaal monster te maken. In Shakespeare's tijd is het renaissancistische ideaal van imitatie verworden tot spektakel. Het oude theater als spiegel gaf een groteske weergave van de natuur, waarin feitelijk niets meer van haar te herkennen was. De spiegel vertekende de verhoudingen.

De omkering door Hamlet betekent dat hij aan theater een grotere waarde toekent dan alleen die van amusement. Toneel onthult de werkelijkheid, en als zodanig is niet de natuur de leermeesteres van de kunst maar de kunst de leermeesteres van de natuur. Theater is dan geen zuiver mimetische kunst, maar het schept een eigen werkelijkheid die de toeschouwer iets leert over de herkenbare werkelijkheid. Niet het toneel als spiegel geeft ons inzicht, maar het toneel als schouwspel dat, losgezongen van de waarneembare werkelijkheid, ons iets leert van wat er achter die werkelijkheid schuilgaat. De spiegel als infra-rood opname.

Moordenaar

De tragedie Hamlet is een ode aan het acteren en aan de hoge waarde die de toeschouwer aan het toneelspel moet toekennen. Dat blijkt uit de cruciale plaats die de scene met de toneelspelers inneemt voor de voortgang van het drama. Het toneelstuk in een toneelstuk is het mooiste demasque dat we ons kunnen voorstellen; het onthult de vileine moordenaar en het maakt duidelijk dat toneel allesbehalve een onschuldige kunstvorm is. Bovendien gelooft Hamlet onvoorwaardelijk in de echtheid van alles wat hij waarneemt, dus ook van het theater waarvan hij zelf de spil uitmaakt.

In het licht van de toneelspelerscene lezen we Hamlets gesprek met zijn moeder helemaal aan het begin met andere ogen. Zij zegt dat een ieder moet sterven, dus ook Hamlets vader wiens geest hij zojuist op de transen van Elseneur heeft gezien. Zijn dood is 'gemeen', dat geeft Hamlet toe, hoewel zijn hart vol opstand is. De koningin vraagt: 'Als dat zo is, waarom schijnt je dit dan zo ongemeen?' Hamlet repliceert: 'Schijnt'? Nee, mevrouw, het is, ik ken geen 'schijnt'. 't Is niet alleen mijn donkere mantel, moeder, of het gebruikelijke rouwkostuum, die, saam met andere tekenen van verdriet, naar waarheid openbaren wat ik voel; want dit zijn dingen die een mens kan spelen, de buitenkant, de opschik van de smart. Wat meer is dan die schijn, leeft in mijn hart.' Het oprechte, waarachtige acteren zoals Shakespeare dat verlangt, is meer dan schijn, meer dan spiegeling en imitatie. Het moet leven in het hart van de acteur. Daarom ook is toneelkunst in staat om 'elke tijd zijn eigen wezen en stempel' te tonen, dwars door elk uiterlijk vertoon heen. Toneelkunst delft de ziel op, waar die zich ook mag bevinden.