Postziekte

Het heeft me altijd al verbaasd dat Multatuli ruim honderd jaar geleden zijn brieven in een dag van Brussel naar Arnhem kon laten verplaatsen, terwijl wij de gemoderniseerde posterijen al dankbaar moeten zijn als een poststuk ooit aankomt.

De dichter Hans Warren heeft in zijn gepubliceerde dagboeken eens geschreven over zijn ongeduldigheid ten aanzien van de postbode, door hem de 'postziekte' genoemd, maar hij had in de jaren vijftig ten minste nog de luxe dat de postbode drie of vier keer per dag aan de deur stond. Tegenwoordig is vier keer per week gewoon, want naast de heilige zondag valt zaterdag deels weg omdat de postbode dan geen pakjes bezorgt. Op maandag lijkt de PTT het werk uit te besteden aan distributeurs van reclamefolders.

Op die vier besteldagen is het zaak goed op je hoede te zijn. Het minst ergerlijke dat je kan overkomen is nog, dat de besteller niet de moeite neemt aan te bellen als hij een pakje voor je heeft, en een briefje door de bus duwt met de mededeling dat het poststuk na vier uur bij het postkantoor kan worden afgehaald. Meestal komt het ook nog wel goed als je post door de bus van de buren naar binnen valt, hoewel het al gevaarlijker wordt als de zij een fraai boek krijgen aangeboden. De ergernis over beschadigde periodieken heb ik uitgebannen door een binnengekomen tijdschrift, waarvan het omslag gescheurd is, op te vatten als een mededeling dat het nieuwe nummer nu onbeschadigd in de boekhandel ligt. Maar deze strategie is op antiquarische boeken niet van toepassing.

Op een morgen verwachtte ik het felbegeerde boek dat ik voor veel geld tweedehands gekocht had. Ik had er 's nachts niet goed van kunnen slapen, zo groot was de opwinding. Om half tien werd ik gewekt door een geklop en gerammel dat steeds heftiger werd. De postbode, zo bleek, deed een poging mijn boek door de brievenbus te stampen. Ik opende de deur en vroeg vriendelijk of hij de volgende keer wilde aanbellen bij een pakje dat evident groter was dan mijn brievenbus. Tout faux. Hij keek mij agressief aan en vroeg: 'Waar heb je dan een brievenbus voor?' Twee dagen later gaf hij zelf het antwoord: een groot formaat boek van ruim honderd pagina's dik lag scherp dubbelgevouwen op de mat.

Dit zijn allemaal nog kabouterproblemen in vergelijking tot het kwijtraken van de post. Vermissing zou nog niet zo'n ramp zijn, als je ten minste nog bericht kreeg van wat er is gestolen of zoekgeraakt.

Een klacht indienen bij de PTT is verspilde moeite, zo bleek. Na nauwkeurig rapport te hebben opgemaakt van afmeting, gewicht, inhoud en datum van verzending heb ik de klachtenservice gebeld. 'Daar maken wij werk van', klonk het dapper. Een uur later rinkelde de telefoon. De onderzoeker bleek al klaar met zijn werk: 'We hebben alles afgecheckt en er is niets mis, mijnheer.'

'Gelukkig, dat is weer opgelost dan. Moet ik de pakjes ophalen of brengt u ze langs?' 'Pardon, we hebben niets gevonden, maar hier is alles in orde. Bij u loopt altijd dezelfde bezorger en die heb ik ook gevraagd, maar die kan zich geen onregelmatigheid herinneren.' In twee weken heb ik vijf verschillende bestellers aan mijn deur gezien, waarvan ik er twee heb aangesproken. Beiden bleken zelfs aan hun eerste werkdag voor de posterijen bezig te zijn, of beter gezegd: voor een uitzendbureau.

Op de laatste dag van mijn 'onderzoek' vond ik voor de vierde keer in twee weken post van meer dan een straatgenoot op de mat (niet overdreven!). Bij het distribueren van de verkeerd bezorgde post zag ik een postbode op de hoek van de straat staan, zijn broek helemaal doorregend, slierten haar hingen in zijn ogen en zijn tas stond half vol water. Een groot pak brieven had hij voor zich op de grond gelegd en nerveus staarde hij naar een plattegrond van de stad. De regen deed de ene straat in de andere overlopen, het ene adres in het andere. Boosheid maakte nu plaats voor gevoelens van medelijden en moedeloosheid.