OM HET ZWARTE GOUD

Het verloop van de olieprijs is op dit moment even ongewis als de afloop van het meest recente conflict in het geschillenrijke Midden-Oosten. De kans lijkt echter groot dat de prijs van een vat ruwe olie (159 liter) in de eerste helft van de jaren negentig naar een blijvend hoger niveau gaat en zich tussen de 20 en de 25 dollar stabiliseert. Deze prijsstijging voor energie leidde vorige week tot lichte paniek op de financiele markten. Daarvoor bestaat objectief gezien weinig reden. Zelfs als de prijs van het zwarte goud zou oplopen tot 30 dollar per vat, is olie nog spotgoedkoop. Wanneer de invloed van de inflatie wordt uitgeschakeld, is olie van 30 dollar per vat in 1990 net zo goedkoop als in 1978, aan de vooravond van de tweede oliecrisis.

Desondanks zullen de te verwachten prijsstijgingen voor olie en aardgas in de jaren negentig ingrijpende gevolgen hebben voor producenten en consumenten in de gehele wereld. Hogere olieprijzen lijken op een belasting die de olieproducenten aan hun afnemers opleggen. De consumenten kunnen hierdoor minder voor andere goederen besteden, tenzij ze hun energieverbruik drastisch verminderen. Sinds de eerste oliecrisis van 1973 (toen de prijs in een klap verviervoudigde) is dat ook gebeurd. Door betere isolatie, zuiniger motoren en vergelijkbare maatregelen gebruiken de industrielanden nu ongeveer veertig procent minder energie per dollar bruto nationaal produkt dan in 1973. De prikkel om te investeren in energiebesparing is echter afgestompt, naarmate de reele prijs van olie na de tweede oliecrisis (1979-1980) daalde door de gecombineerde invloed van geldontwaarding en de afbrokkelende dollarkoers. Wie bezorgd is over de snelheid waarmee de mensheid de aanwezige voorraden olie opslorpt, zal de te verwachten prijsverhogingen toejuichen, omdat deze een hernieuwde stimulans betekenen voor een spaarzamer energiegebruik.

De meeste reacties waren de afgelopen week nogal kortzichtig. Politici maakten zich tot tolk van woedende verbruikers die op een gegeven moment ongeveer een dubbeltje per liter meer betaalden wanneer zij hun heilige koe laafden aan de pomp van de grote oliemaatschappijen. De multinationals zouden de prijsverhoging van hun grondstof veel te snel aan de afnemers doorberekenen. Het geharrewar over de benzineprijzen is niet meer dan een populistische voetnoot bij de geschiedenis. Van veel meer belang zijn de te verwachten gevolgen voor het reilen en zeilen van de Nederlandse economie.

Doordat consumenten en veel olieverbruikende landen plotsklaps een groter deel van hun middelen naar de Opec-landen zien vloeien, verslechtert de betalingsbalans van de olie-importerende landen. Na de prijsschokken van 1973 en 1979-1980 moesten de Westerse industrielanden twee procent van hun bruto nationaal produkt extra neertellen voor hun olierekening. Als opeens zoveel meer geld voor energie moet worden betaald, krimpen de bestedingen voor andere goederen en diensten. Door de resulterende afzetverliezen vertraagt de produktiegroei in energiehongerige industrielanden. De kans is levensgroot aanwezig dat de werkloosheid hierdoor gaat oplopen. Producenten moeten meer voor energie betalen en proberen de stijging van hun kostprijs aan de klanten door te berekenen. Hierdoor versnelt het inflatietempo. In veel landen zal ook de overheidsbegroting een forse deuk oplopen. Er is meer geld nodig voor uitkeringen aan werklozen, terwijl de belastingontvangsten door de inzettende recessie terugvallen. Al die gevolgen hebben zich na de vorige oliecrisis ook voorgedaan.

In het begin van de jaren negentig is de wereldeconomie minder kwetsbaar dan aan de vooravond van de eerste en de tweede oliecrisis. Bovendien zijn de olieproducerende landen veel beter in staat om hun extra olie-opbrengsten meteen in de Westerse landen te besteden of uit te zetten. Hierdoor zal geen mondiale vraaguitval ontstaan, zoals in 1973-1974. Dankzij het aardgas zullen de Nederlandse betalingsbalans en de rijksbegroting weinig van een eventuele derde oliecrisis te lijden hebben. De energiewaarde van door Nederland voor binnenlands verbruik ingevoerde olie en uitgevoerd gas is min of meer gelijk. Doordat de exportprijs van gas met een half jaar vertraging is gekoppeld aan die van ruwe olie, wordt de hogere nationale olierekening gecompenseerd door extra opbrengsten van aan het buitenland verkocht aardgas. Doordat het grootste deel van de aardgaswinsten toevalt aan de rijksoverheid, betekenen hogere energieprijzen een oppepper voor de begroting van minister Kok.

Het grootste gevaar voor de nationale economie schuilt ergens anders. Hogere energieprijzen brengen ook mee dat alle verbruikers een stukje koopkracht verliezen. Dit koopkrachtverlies komt uiteindelijk ten goede aan de olie-uitvoerende landen, aan de oliemaatschappijen en aan de Nederlandse schatkist (extra gaswinst). Wanneer het leven voor energiegebruikers duurder wordt, ondernemen hun zaakwaarnemers in het sociaal-economische circuit acties. De vakbeweging zal hogere prijscompensatie eisen. Dit geeft een extra impuls aan het haasje-over van lonen en prijzen, waardoor de inflatie eenparig versnelt. Door de koppeling aan de cao-lonen wordt de extra prijscompensatie vervolgens doorgegeven aan iedereen, die is aangewezen op een sociale uitkering. De uitgaven van minister Kok en de sociale fondsen gaan hierdoor extra omhoog. Sociaal voelende politici zullen zich bovendien, vooral indien de komende winter streng is, willen profileren door bij het kabinet aan te dringen op de invoering van een toeslag voor stookkosten, zeker voor de echte minima.

Het is allemaal al eerder vertoond, met schadelijke gevolgen voor onze economie. Het kabinet zou de burgers daarom twee dingen duidelijk moeten maken. Wanneer de oliesjeiks de prijs van het zwarte goud met succes weten op te schroeven tot een peil van meer dan 25 dollar per vat, lijdt Nederland een duidelijk ruilvoetverlies. Daarvan is sprake wanneer onze invoerprijzen sneller stijgen dan onze uitvoerprijzen. Nederland zal meer kaas, bloembollen en Fokker-vliegtuigen moeten exporteren om de gestegen olierekening te kunnen betalen. Dit ruilvoetverlies moeten wij nemen. Vakbondsonderhandelaars dienen te accepteren dat dit verlies ten laste van de loonruimte komt, ondernemers ontkomen niet aan een verkrapping van hun winstmarges. Anders lukt het niet om voldoende extra te exporteren. Op deze manier wordt de nationale verarming eerlijk verdeeld over werknemers en kapitaalverschaffers. Door de koppeling volgen de uitkeringsontvangers de gematigde loonsverhoging in de bedrijven. Zo dragen ook zij een deel van het ruilvoetverlies. De koppeling waarborgt ook solidariteit van economisch niet-actieven met de werkenden.

Daarnaast dient minister Kok in de Miljoenennota 1991 glashelder op te schrijven wat de rijksoverheid gaat doen met de extra gasbaten voor de schatkist. Die kunnen worden gebruikt voor een belastingverlaging, om het koopkrachtverlies dat burgers lijden door de hogere gas- en benzineprijs te compenseren. Het kabinet kan de rijkelijk vloeiende gasbaten ook gebruiken om het tekort op de begroting versneld weg te werken. Die bestemming heeft mijn voorkeur. Maar dan moet minister Kok eerlijk zeggen dat hij de gasbonanza, voor dat goede doel, in eigen zak steekt. De verhoging van de gasprijs betekent dan een lastenverzwaring ter sanering van de openbare financien.