NATURA MUSICAE MAGISTRA

Debussy had belangstelling voor golfpatronen in het zand, Messiaen wordt geobsedeerd door vogels. Maar de natuur is voor musici meer dan alleen een bron van inspiratie. 'Op de openbare school van de natuur leerde Pythagoras de fundamentele toonwetten.' Kan de natuur de muziek iets leren? De Vier Seizoenen, de Pastorale, La Mer iedereen heeft ze paraat, geen twijfel mogelijk dus. Maar wat leert de natuur de musicus? De aanwijzingen van Vivaldi of Beethoven zijn tamelijk expliciet, met enige goede wil kan men het karakter van de seizoenen horen, en Beethovens onweer kan eenvoudig niemand zijn ontgaan. Van Debussy is bekend dat hij een grote belangstelling had voor natuurlijke processen, zoals bijvoorbeeld golfpatronen in het zand. Vooral het vloeiende van zulke processen, het anti-blokvormige, anti-classicistische moet hem hebben aangesproken. Kristalvorming daarentegen was weer een ideaal van Anton Webern en de late Strawinsky al het gewenste kan men terugvinden in de natuur, deze leermeester heeft geen eenzijdig repertoire. Meer recent is de belangstelling van sommige componisten voor 'fractals' als kunstmatige (computer-)imitaties van natuurlijke processen, en ongetwijfeld weet iedereen die Messiaen kent van zijn obsessie met vogels. Zelf heb ik mij laten inspireren door wolkenluchten en andere verschijnselen aan de hemel.

Maar wat is het meer dan het nogal vage begrip 'inspiratie'? Een landschap in herfstkleuren kan voor een schilder niet alleen een inspiratiebron maar ook letterlijk een les zijn, een harmonieleer van kleuren en vormen. Een equivalent daarvan in de muziek, een 'landschap van geluid' bestaat niet op die manier. Natuurlijk is er de 'witte ruis' van de waterval, van de wind of de branding, maar witte ruis bestaat uit het gelijktijdig klinken van alle hoorbare frequenties en daar valt niet zoveel van te leren. John Cage opende ooit voor een publiek de ramen van zijn Newyorkse flat en zei dat daarmee het concert begonnen was, maar zo'n grap is niet veel meer dan kitsch-voor-intellectuelen. Musiceren is het zinvol structureren van geluid, en om die zin gaat het. De geluiden van onze mededieren, van insecten tot dolfijnen en vogels, kan men op hun structuur bestuderen en daar ideeen aan ontlenen, maar met name vogels hebben een veel sneller perceptievermogen, een veel snellere computer voor het volgen van bewegingen, ook in het geluid, dan wij. Wanneer wij de zang van bijvoorbeeld een leeuwerik goed willen volgen en zijn vorm willen begrijpen, moeten wij een opname ervan enkele octaven vertragen of verlagen. Maar iedere vogel 'zingt zoals hij gebekt is', dat wil zeggen in een eigen 'temperatuur', een eigen toonstemming. Dat maakt dat alle vogelimitaties in de muziek iets karikaturaals hebben, want God heeft er niet aan gedacht ze te laten zingen in onze twaalftoons-temperatuur. Om dat stemmingscompromis tot stand te brengen hebben wij niet alleen naar de natuur moeten luisteren, maar hem ook leren begrijpen.

In de dimensie van het dagelijks bestaan, met beide benen op de grond, doet de natuur zich voor als een jungle van vormen, bewegingen en geluiden, waar nauwelijks een touw aan vast te knopen is. Maar boven ons schrijven de hemellichamen hun onverbiddelijke wiskunde aan het firmament, de 'harmonie der sferen', zeiden de Antieken. Op die openbare school van de natuur leerde Pythagoras de fundamentele toonwetten: de helft van een trillende snaar produceert het 'octaaf', een derde de 'kwint', een kwart ervan het dubbele octaaf, enzovoort. Zo ontdekte hij de reeks van de 'natuurtonen' of 'bovenharmonischen', waar sindsdien alle (Europese) toonstemmingen uit zijn ontstaan. Deze leermeester is de vruchtbaarste van allemaal geweest, hij leerde ons toonladders maken en harmonische verbindingen, contrapunt, transpositie en modulatie ontwikkelen, en ten slotte ook de synthetische (elektronische) toonproduktie beheersen. Zijn objectiviteit moge blijken uit het feit dat het compromis van de 'gelijkzwevende temperatuur' (twaalftoonsstemming) al een eeuw voor de Duitsers Neidhardt en Werckmeister in China werd ontdekt door de theoreticus Chu Tsai-Yu, in 1580. Schoon is deze leermeester in zijn verschijning, waar in zijn wiskundig wezen, en ten slotte goed in zijn werking op ons: wie het werk uit zijn ateliers kent, wie de Vier Seizoenen, de Pastorale, La Mer en die talloze andere stukken ondergaan heeft, is daar beter uitgekomen dan hij erin ging. Zijn 'natureelste beweeglickheit' (Rembrandt) blijft ons bewegen.