Le Pen en Schonhuber horen in Den Haag niet thuis; Er zijngrenzen aan de gastvrijheid

Wie van de Heidelbergse Catechismus heeft gehoord of daarmee is opgevoed, weet dat de mens, althans volgens de leer van Calvijn, tot alle kwaad geneigd is. Gelukkig heeft die pessimistische visie vooral in deze eeuw sterk aan kracht ingeboet en denken velen vandaag de dag, zonder dat daartoe in historische zin veel aanleiding bestaat, heel wat optimistischer en positiever over het verschijnsel 'mens'.

Het kwaad bestaat natuurlijk nog altijd, zelfs in niet geringe hoeveelheid. Bijvoorbeeld in de vorm van rassenwaan en vreemdelingenhaat. In Zuid-Afrika, in Europa, ook in Nederland. Het gaat om haatgevoelens tegen mensen die er anders uitzien of anders gekleurd zijn en die een bedreiging van onze cultuur en economie zouden vormen. Omdat deze vormen van haat, die vlak bij het kwaad van antisemitisme liggen, blijkbaar onuitroeibaar zijn, sterker nog: in Nederland en in andere landen steeds meer ingang vinden en maatschappelijk bijna bespreekbaar zijn geworden, zijn ook politieke partijen ermee in de weer. Met het gevolg dat tal van gemeenteraden en parlementen democratisch gekozen vreemdelingenhaters in hun midden hebben. Sinds juli vorig jaar zitten zij ook in het Europees Parlement. Zeventien Belgische, Franse en Westduitse ultra-rechtse volksvertegenwoordigers vormen daar de zogeheten Technische fractie Europees rechts. Zij staat onder voorzitterschap van Jean-Louis Le Pen, de leider van het Franse Front National. Zijn even dubieuze vrienden, de Duitse oud-SS-vrijwilliger Franz Schonhuber (leider van de Republikaner) en Karel Dillen, voorman van het Vlaams Blok in Belgie, fungeren daarin als ondervoorzitter.

De extreem-rechtse groep is groter dan de omvang van de fractie doet vermoeden; ten eerste omdat de Italiaanse neo-fascistische Europarlementariers zich niet bij Le Pens club hebben aangesloten en bovendien omdat de Nederlandse centrum-democraten, die die aansluiting best zouden willen, vorig jaar (nog) niet in staat waren de Europese kiesdrempel te halen.

Tentoonstelling

Velen zijn van mening dat ultra-rechts doodgezwegen moet worden, dat racisten en fascisten geen aandacht verdienen. Gelukkig doet de Anne Frank-stichting aan die goedbedoelde, maar bedenkelijke trend niet mee en biedt zij deze maanden in haar huis te Amsterdam de bijzonder leerzame tentoonstelling 'Eigen volk eerst'. Met die expositie, een evenement dat onder extreem-rechts tot grote woede heeft geleid omdat het daarmee in een nazistisch daglicht zou worden gesteld, geeft de Anne Frank-stichting een beeld van het politiek georganiseerde racisme in Frankrijk, Duitsland, Belgie en Nederland.

Vier landen waar extreem-nationalistische partijen met steeds meer succes kiezers weten te trekken en er met hun giftige propaganda in zijn geslaagd de vreemdelingenhaat aan te wakkeren. Gelukkig stuit het optreden van deze 'sociale pyromanen' een karakterisering die de Franse premier Rocard eerder dit jaar bezigde bij de presentatie van een regeringsplan tegen het toenemend racisme in Frankrijk in vrijwel heel Europa ook op grote tegenstand. Met het gevolg dat de extreem-rechtse fractie uit het Europees Parlement nu de grootste moeite heeft met het vinden van geschikte zalen voor haar bijeenkomsten. Zelfs in Le Pens Bretonse geboorteplaats Trinite-sur-Mer was zij niet welkom. Uiteindelijk kon de fractie terecht in de Franse stad Tours om er een 'zomeruniversiteit' te houden.

Openbare orde

En nu zou een delegatie van diezelfde fractie van 'sociale brandstichters' in september van dit jaar naar Nederland komen. Met de bedoeling om in Den Haag met die ene centrum-democraat uit de Tweede Kamer en met centrum-democraten uit diverse gemeenteraden uitvoerig te praten over 'probleem-cumulatie-gebieden', de buurten waar veel vreemdelingen wonen.

Strikt genomen kan de Haagse burgemeester Havermans zulke ontmoetingen niet verbieden de overheid moet op afstand blijven, heet het dan tenzij zij een openbaar karakter hebben en indien als gevolg daarvan de openbare orde gevaar zou lopen. Burgemeester Havermans zit met het aangekondigde bezoek van Le Pen en Schonhuber bijzonder in zijn maag. Ook al omdat niet duidelijk is of zij inderdaad naar Den Haag zullen komen. Het zou ook kunnen gaan om niet meer dan een provocatieve aankondiging, net nadat ultra-rechts lik op stuk had gekregen toen het in Dordrecht geen persconferentie mocht houden tegen de tentoonstelling van de Anne Frank-stichting.

Natuurlijk wil Havermans, hoezeer hij het extremisme ook verafschuwt, op en top democraat zijn en blijven en kan hij politiek-extremistische bijeenkomsten van democratisch gekozenen niet gemakkelijk verbieden. Maar alles heeft zijn grens. Wie als Le Pen beweert, en daarvoor door de strafrechter is veroordeeld, dat 'de uitroeiing van de joden slechts een detail in de geschiedenis is', wie, zoals Schonhuber, eertijds vrijwillig tot de Waffen-SS is toegetreden en daarop nog steeds trots is, hoort in Nederland, hoe gastvrij ook, niet thuis. Zulke lieden, die tot alle kwaad geneigd zijn, zouden moeten worden buitengesloten. Niet eens zozeer omdat hun aanwezigheid tot ordeverstoring kan leiden, maar vooral omdat Nederland door het enkele feit van hun aanwezigheid, ook internationaal een belabberd figuur zou slaan.