Kunstwerken uit particuliere collecties corrigeren deleerboeken

Een oproep in de lokale pers en buurtbladen van Zutphen leverde twee jaar geleden ongeveer 150 reacties op van mensen die meldden beeldende kunst van enige betekenis in huis te hebben. Ze werden stuk voor stuk bezocht door vertegenwoordigers van de plaatselijke musea die bezig waren met een inventarisatie van het Zutphense particuliere kunstbezit. Het was de bedoeling daaruit een expositie samen te stellen die onderdeel zou zijn van de viering dit jaar van het achthonderdjarig bestaan van het IJsselstadje. Die tentoonstelling is er nu en beheerst met een rijkdom aan bruiklenen deze maanden van de nazomer het Museum Henriette Polak en het Stedelijk Museum van Zutphen. In het eerste museum hangen 115 werkstukken van kunstenaars uit deze eeuw, in het Stedelijk Museum zijn 48 schilderijen bijeengebracht die in de vorige eeuw ontstonden. Met elkaar geven de twee delen van de expositie Kunst uit particulier bezit een verrassend beeld van wat er aan beeldende kunst van museale kwaliteit onder de mensen is. Bekende namen ontbreken zeker niet maar wat de tentoonstelling vooral aantrekkelijk maakt is de aanwezigheid van zoveel onbekend gebleven kunstenaars wier werk toch op zijn minst evenwaardig is aan de kunst die in veilingcatalogi en handboeken van de kunstgeschiedenis voorkomt. De presentatie in Zutphen krijgt daardoor iets van een correctie op de handel, de professionele kunstbeschouwing en de oficiele overzichten in de leerboeken, die, denkend in scholen en stromingen, voldoende hebben aan slechts enkele min of meer toevallig gekozen namen.

Anoniem

Jammer genoeg blijft zowel in de expositiezalen als in de catalogus (f. 5.-) de zo interessante ontstaansgeschiedenis van de jubileummanifestatie onderbelicht. Twee jaar lang hadden de onderzoekers de unieke kans om systematisch te bekijken wat voor beeldende kunst er bij veel mensen thuis hangt en welke plaats die in hun leven inneemt. Duidelijk werd al snel dat er bij 150 mensen die indertijd op de oproep reageerden verrassend veel goede kunst aanwezig was, die in ongeveer de helft van de gevallen door gericht verzamelen was verworven. Met honderd van de reflectanten gingen de onderzoekers verder bij het samenstellen van de tentoonstelling. Opvallend is dat allen volstrekte anonimiteit bedongen als voorwaarde voor hun medewerking. Hun angst voor inbrekers was blijkbaar groter dan hun eventuele ijdelheid. De organisatoren hebben zich zo letterlijk aan die voorwaarde gehouden dat van de achtergronden van het particuliere bezit weinig duidelijk wordt. Het materiaal dat zij verzamelden vraagt om verder gebruik. Wat voor soort mensen leven zo bewust met hun beeldende kunst? Uit enkele interieurfoto's in de catalogus zou kunnen blijken dat ze (inderdaad) tot de meer gegoede burgerij behoren, maar desgevraagd kregen we ook voorbeelden van mensen die pas na lang sparen (bijvoorbeeld met waardebonnen van de kruidenier) een bepaald stuk konden kopen. In Zutphen en directe omgeving bevindt zich veel kunst. Is dat representatief voor het hele land? Of is Zutphen een gunstige uitzondering? En waarom dan wel? En de Zutphense smaak (veel gematigd modern werk, weinig aandacht voor het fundamentele experiment), is die representatief voor de verzamelaars in een kleine provinciestad? Dit soort vragen wordt door het werk van de samenstellers wel opgeroepen maar tot dusver niet beantwoord.

Voortrekker

Vooral in de expositie van de kunst van deze eeuw in het Museum Henriette Polak tekenen zich de sporen af van enkele gerichte verzamelaars. Een van hen bezit een indrukwekkend rijtje kleine doeken en paneeltjes van Harm Kamerlingh Onnes, die schijnbaar naieve autodidact met zijn altijd in een heel speciale sfeer gedompelde geraffineerde waarnemingen van Krantenverkoopsters in Parijs, het Voorgeleiden van een gevangene, de Ingang van een dierentuin, een stadsgezicht in Londen en een Italiaanse impressie. Andere anonieme verzamelaars richtten zich op de Franse Nederlander Wim Oepts, in Zutphen aanwezig met een mooie reeks van zijn in contrasterende kleurvlakken geschematiseerde landschappen, op Herman Berserik of op de dit jaar overleden Joop Sjollema. Sjollema schilderde graag in de beslotenheid van zijn eigen of andermans interieur. Hij bleef dicht bij huis, keek schetsend en schilderend toe als vrienden aan kamermuziek deden, of als een gezin in gezellige rommel aan het natafelen was. Zijn Familiekring uit 1970 is magistraal, maar een hoogtepunt van zijn hand is in Zutphen toch een uit 1962 daterend dubbelportret van zijn collega's Charles Roelofs en Herbert Fiedler. Fiedler is druk aan het inpraten op de geboeid maar zeer kritisch toehorende Roelofs. Schitterend.

De voortrekker van de Nederlandse avant-garde van omstreeks de laatste eeuwwisseling Leo Gestel is in Zutphens bezit vertegenwoordigd met ondermeer tekeningen van een boer en boerin in de stijl van het bonkige Vlaamse expressionisme, Jan van der Zee met gouaches en Th. Rijkhard de Voogd met het opvallende schilderij Communicatie 75, een olieverf van vijf telefoondraden die zich als een slordige notenbalk aftekenen tegen een licht bewolkte blauwe lucht. Van Hendrik Valk is een stilering te zien van een Model in atelier uit 1941. Ook een ontroerend klein naakt van Clara de Jong blijft in het geheugen hangen, evenals een levensgrote houtskooltekening uit 1925 van Joep Nicolas. Nicolas was vooral glazenier en zijn De violiste zou een schetsontwerp kunnen zijn van een raam met een monumentaal vrouwelijk naakt, dat zijn tegenvorm vindt in een verticaal gehanteerde viool. Zo verdiept is de voloptueuze figuur in haar spel dat zij zich niet bewust wordt van de gevaarlijke opwinding in de mannekoppen in de achtergrond. Een licht kubistische behandeling geeft het geheel een dwingende kracht. Beslist genoemd moet ook het schilderij Cafe te Middelburg uit 1969 worden, een olieverf van de Zeeuwse schilder Hans Heeren. Hij wist die zo breekbare sfeer van een buurtkroeg in het middaguur in de roos te treffen: een man staat aan de bar en kijkt naar buiten, twee vrouwen zitten aan een tafeltje, de kastelein achter zijn kist. Het is zo'n nevelige middag met dansende stofdeeltjes in het zonlicht dat door de ruit filtert.

De collectie van 48 negentiende-eeuwse werken in het Stedelijk Museum bestaat vooral uit losse, overerfde stukken al valt ook hier af en toe het spoor van een verzamelaar te ontdekken. Veel romantiek, veel Haagse School, bekende namen als die van Mesdag, Rochussen, Schelfhout, J. H. Weissenbruch, J. Israels. De doeken zijn in uitstekende conditie, de bezitters ervan hebben er goed voor gezorgd. Ook hier de opvallende kwaliteit van veel onbekende kunstenaars. Zoals een bijna-miniatuur van David Bles (1821 - 1899), een herbergscene uit 1855 voorstellend. Het is een Jan Steen-achtig tafereeltje van een beschonken klant wiens glas toch nog wordt volgeschonken, zorgvuldig gedetailleerd door de op de vierkante centimeter triomferende kunstenaar. Of het ongedateerde Londense stadsgezicht van een zekere F. Boggs, een sfeertekening van zo'n vochtige grijsgrauwroze middag op Trafalgar Square, waar mannen met hoge hoeden schimmen in de regen worden. Interessant is verder een havengezicht uit 1910 van Evert Moll. Het nogal cliche-achtige beeld van hoogliggende stoomschepen aan de kade wordt doorbroken door het silhouet van een der laatste zeilschepen.

Veel van de kunstenaars in de twee Zutphense musea brachten het in de kunstgeschiedenis niet verder dan voetnoten. Het is mooi en zinvol dat ze alsnog de kans kregen met hun werk te bewijzen dat ze er niettemin volledig bijhoren.

Tentoonstelling: Kunst uit particulier bezit, t/m 9 september in Museum Henriette Polak, Zaadmarkt 88 en in het Stedelijk Museum Zutphen, Rozengracht 3. Dinsdag t/m vrijdag van 11 - 17 uur, zaterdag en zondag van 13.30 -17 uur.