Jordaanse economie klem tussen Irak en Soedi-Arabie

ROTTERDAM, 15 aug. Jordanie is vandaag even middelpunt van de wereld nu zijn koning met een boodschap van de Iraakse president Saddam Hussein op weg is naar de Amerikaanse president Bush.

Het land verkeert in een positie die niet te benijden is. Het is economisch sterk afhankelijk van het buurland Irak waarvan het liefst 95 procent van zijn olie betrekt. Jordanie wordt ervan wordt beschuldigd op grote schaal transport van goederen bestemd voor Irak op zijn grondgebied toe te laten, in weerwil van het VN-embargo tegen Irak waarachter de Jordaanse koning Hoessein zich vorige week schaarde.

Op de vergadering van de Arabische Liga in mei in Bagdad, ver voor de Iraakse inval in Koeweit, zegden de rijke Arabische buren Jordanie 295 miljoen dollar aan hulp toe, het koninkrijk Saoedi-Arabie voorop met 100 miljoen dollar, gevolgd door Koeweit met 80 miljoen dollar. Eind juli nog zei de Jordaanse minister van financien, Basil Jardaneh, voor het hele jaar te rekenen op hulp van 500 miljoen, mogelijk 600 miljoen dollar.

Dat geld heeft Jordanie hard nodig. Van Irak heeft het land 500 miljoen dollar tegoed, een regelrecht gevolg van de achtjarige oorlog tussen Irak en Iran. Jordanie stelde toen allerhande faciliteiten aan Bagdad beschikbaar en president Hussein had Jordanie beloofd het land na de oorlog daarvoor te betalen. Dit jaar zou Irak 150 miljoen dollar overmaken, wellicht in de vorm van olieleveranties.

Irak voor het hoofd stoten zou betekenen dat het geld nooit binnenkomt. Saoedi-Arabie afvallen zou volkomen onzeker maken of de toegezegde hulp van andere Arabische landen wel ooit zal worden overgemaakt.

Behalve van zijn olie is Jordanie ook voor zijn export sterk afhankelijk van Irak, waar 40 procent van de totale Jordaanse uitvoer naar toe gaat. Bovendien legt de stijgende olieprijs Jordanie als een van de weinige Arabische landen vooral windeieren. Elke dollar prijsstijging kost Amman 17 miljoen dollar extra. Bij een prijs van 25 dollar per vat moet Amman dit jaar 150 miljoen dollar zien te vinden voor de import van olie om aan de eigen behoefte te voldoen.

Met de nu bedreigde Jordaanse economie begon het dit jaar net de goede kant op te gaan. De inflatie, vorig jaar nog 25 procent, was in de eerste helft van dit jaar al teruggedrongen tot 8 procent, de invoer gedaald met drie procent, de uitvoer gestegen met vier procent (in dollars) hoewel twee procentpunten minder dan gepland wegens het wegvallen van de Jordaanse fosfaatexport naar Oost-Europa.

De overmakingen van Jordaanse gastarbeiders in de Arabische buurlanden, die vorig jaar daalden tot 640 miljoen dollar, zouden net dit jaar weer stijgen tot 800 miljoen dollar.

Met verschillende regeringen waren regelingen getroffen voor de sanering van de buitenlandse schuld. Zo zegde de Britse regering (geen vriend van buurland Irak) toe haar vordering om te zetten in dollars zodat Jordanie niet langer de hoge sterlingrente hoefde te betalen. Met de handelsbanken was in juni al een regeling getroffen over de uitstaande buitenlandse schuld van 525 miljoen dollar. Ook de Sovjet-Unie, Zweden, Belgie en .

.

Koeweit deden toezeggingen. In het Jordaanse parlement bestaat al geruime tijd grote weerstand tegen vernieuwing van de investeringswet uit 1978 om buitenlanders dezelfde status als Jordaniers te geven. Het buitenland, zo wordt gevreesd, kan zich zo van de Jordaanse economie meester maken. Gesproken werd al van een uitverkoop van het land. Een afgevaardigde heeft al om een clausule gevraagd die de Jordaanse markt voor Israelische investeerders moet versperren. De vraag is of Jordanie zich niet net zo isoleert als Irak en de wet straks volkomen irrelevant is geworden.