Het eigen belang

MET HET BEZOEK van de Jordaanse koning Hussein aan de Verenigde Staten heeft de crisis in het Midden-Oosten een nieuwe wending genomen. Of dat een wending ten goede zal zijn moet worden afgewacht, maar de kans daarop lijkt gering. Als bemiddelaar kan de vorst van het Hasjemitische rijk immers moeilijk gelden: daarvoor heeft hij zich in de afgelopen weken te duidelijk geprofileerd als medestander-tegen-wil-en-dank van Saddam Hussein, daarvoor is zijn positie ook te zwak.

De meest waarschijnlijke uitkomst van Husseins ontmoeting met president Bush lijkt dan ook dat er aan de militaire impasse die in en om Koeweit is ontstaan nog een diplomatieke zal worden toegevoegd.

Voor Bush is het vooruitzicht van een langdurige, onoplosbare crisis weinig aanlokkelijk: Amerikanen staan achter hun president als die militaire conflicten met korte, succesvolle acties tot een oplossing brengt, zoals in Grenada of in Panama. Maar wanneer er een uitzichtloze pat-situatie ontstaat, zoals in de jaren zeventig in Vietnam, dan verliezen zij hun vertrouwen. Bush moet in verband met zijn herverkiezing in 1992 die waarheid voortdurend in het oog houden. Vandaar ook dat de Amerikaanse president niet wil uitsluiten dat de economische boycot van Irak zal resulteren in een blokkade van de Jordaanse haven Aqaba, waar tot dusver Iraakse goederen kunnen 'ontsnappen', en die tot gevolg zou hebben dat Irak volledig geisoleerd raakt.

DE CRISIS om de overweldiging van Koeweit door Saddam Hussein is, na de aanvankelijke vrijwel wereldwijde verontwaardiging daarover en de veroordeling daarvan door de Veiligheidsraad, in het huidige stadium vooral verworden tot een discussie over de middelen die gebruikt mogen worden om de Iraakse agressie tot staan te brengen en zo mogelijk terug te draaien. Amerikanen en Britten menen, onder meer op grond van het Saoedische verzoek om hulp, dat daarvoor alle middelen gebruikt kunnen worden, ook het middel van de blokkade dat op zichzelf een casus belli zou zijn. Frankrijk vindt echter dat die interpretatie veel te ver gaat en dat de Veiligheidsraad alleen een verbod heeft afgekondigd op het onderhouden van economische betrekkingen met Irak.

HET GEVAAR is niet denkbeeldig dat de onenigheid over de middelen die gebruikt mogen worden tegen Irak zal leiden tot een afbrokkeling van de positie van de Westerse democratieen in het Midden-Oosten. De terughoudendheid van veel van de Europese NAVO-partners om deel te nemen aan de operatie tegen Irak is wat dat betreft al veelzeggend geweest. De VS en Groot-Brittannie lopen daardoorhet risico te worden aangemerkt als machten die door middel van indrukwekkende militaire aanwezigheid willen proberen de Iraakse crisis ten eigen bate uit te buiten. Ook de Sovjet-Unie is bevreesd dat de grote militaire concentratie van het Westen tot een ontwrichting van het delicate machtsevenwicht daar zal leiden.

Een dergelijke ontwikkeling zou zich niet alleen keren tegen het Westen zelf, maar ook de positie van met het Westen verbonden Arabische regimes onmogelijk maken. Gezien de sympathie die Saddam Hussein ondanks alles bij veel Arabieren geniet moet dat tot elke prijs worden voorkomen. Steun van Arabische zijde voor de operatie tegen Hussein lijkt alleen gegarandeerd als Amerikanen en Britten erin slagen om welke schijn dan ook te vermijden dat ze meer in hun eigen belang dan in dat van de Arabieren bezig zijn.

De enige uitweg uit het dilemma tussen enerzijds legaliteit en anderzijds effectiviteit van de boycot is gelegen in een zo groot mogelijke consensus tussen alle tegen Saddam Hussein gemobiliseerde krachten. Die consensus kan alleen maar gevonden worden binnen het kader van de Verenigde Naties. President Bush zal er derhalve goed aan doen, hoezeer hem dat om electorale redenen ook moge tegenstaan, de oplossing voor het Iraakse conflict eerder te zoeken via de permanente leden van de Veiligheidsraad, dan in niet door de volkerenorganisatie gesanctioneerde oorlogsverklaringen.