Geschilderde gewassen determineren; Druif of komkommer?

Op zeventiende- en achttiende-eeuwse bloemstillevens komen veel cultuurplanten voor die er nu niet meer zijn. Om ze te determineren is specialistische kennis vereist. Topdeskundige op dit gebied is de Amsterdamse ecoloog Sam Segal, die op grond van botanische kenmerken schilderijen dateert en interpreteert. De natuurlijke historie als leermeesteres van de kunstgeschiedenis.

Een uit de hand gelopen hobby, uitmondend in een florerend eenmansbedrijf. Dat is in het kort de carriere van de Amsterdamse ecoloog en kunsthistorisch adviseur dr. Sam Segal (57), deskundige op het gebied van beeldende kunst met planten en bloemen, in het bijzonder Hollandse bloemstillevens.

Opgeleid aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde Segal in 1969 cum laude op een onderzoek naar muurvegetaties. Daarna bleef hij als wetenschappelijk medewerker aan de vakgroep verbonden, maar in 1975 verliet hij de universiteit om zich te vestigen als zelfstandig botanisch deskundige in dienst van het kunsthistorisch onderzoek.

De self-made kunsthistoricus ontvangt in zijn werkverdieping met uitzicht op de gracht. De boeken woekeren tegen de wanden, op een ezel staat een bloemstilleven van een van zijn geliefde schilders, Cornelis de Heem. Segal: 'Twintig jaar geleden werd ik gevraagd mee te werken aan een tentoonstelling over achttiende-eeuwse bloemstillevens in Amsterdam. Men wilde dat ik de bloemen, waar praktisch niets over bekend was, determineerde. Uiteindelijk schreef ik de hele catalogus, die enthousiast werd ontvangen door de kunsthistorici. Mijn benadering was anders dan ze gewend waren. Eigenlijk beschreef ik bloemstukken op dezelfde wijze als ik daarvoor vegetaties beschreef. Ik determineerde niet alleen de soorten, maar registreerde ook nauwgezet hoe in de loop der tijd de achtergrond en de voorgrond van struktuur en kleur veranderden, welke soort vazen er gebruikt werden en hoe de compositie en het assortiment zich ontwikkelden.

Zulke methodes zouden ook heel nuttig kunnen zijn voor andere objecten in de kunstgeschiedenis, maar ze worden voor zover ik weet niet gebruikt. 'Na die eerste tentoonstelling vroegen enkele kunsthistorici mij of ik niet met dit werk wilde doorgaan. Daar had ik geen zin in, want ik had een drukke baan aan de universiteit en beschouwde het als niet meer dan een hobby. Maar op een gegeven moment moest ik worden geopereerd aan een hernia, waardoor ik een jaar lang geen veldwerk kon doen. Met een subsidie van ZWO heb ik me toen die periode aan bloemstillevens gewijd. Het terrein bleek veel omvangrijker dan ik had gedacht en ik breidde het onderzoek uit tot drie jaar. En sindsdien ben ik er niet meer van losgekomen...'

Onafhankelijk

Segal werkt zelfstandig en geeft adviezen aan handelaren, veilinghuizen en particuliere verzamelaars. Hij krijgt meer werk aangeboden dan hij aankan, het leeuwendeel documentatiewerk. Hij stelt zich zo onafhankelijk mogelijk op van de handel 'en alles wat daarmee te maken heeft' en wenst zich niet exclusief te binden aan een veilingbedrijf of kunsthandel.

Naast de expertises en adviezen, waarmee hij zijn boterham verdient, organiseert hij tentoonstellingen en schrijft hij catalogi, het werk waar hij het meeste plezier aan beleeft en het meeste tijd aan besteedt. Dit jaar verzorgde hij bijvoorbeeld een grote tentoonstelling over vier eeuwen Nederlandse bloemschilderkunst in Japan en Australie. En in 1992 staat in eigen land een drieledige mammoettentoonstelling in Leiden, Den Haag en Delft op het programma ter gelegenheid van de Floriade 1992. Segal: 'Mij wordt vaak gevraagd om te controleren of een bestaande toeschrijving van een schilderij klopt. Veel schilderijen zijn niet of vals gesigneerd. Op grond van botanische kenmerken is dan vaak af te leiden of zo'n doek wel of niet van een bepaalde schilder kan zijn geweest. Zo'n uitspraak is natuurlijk nooit absoluut zeker, maar gelukkig zijn er vrijwel altijd andere argumenten die het oordeel versterken. 'Ik ben in particuliere verzamelingen bijvoorbeeld nogal eens schilderijen tegengekomen van Van Spaendonck, met soorten waarvan met zekerheid bekend was dat ze in zijn tijd nog niet in Europa voorkwamen. Als je dan verder keek, bleek ook dat de schilderstechniek onmogelijk uit de tijd van Van Spaendonck kon zijn. Zulke dingen tref je vrij vaak aan.'

Specialisme

Segal heeft zich specifiek toegelegd op de bestudering van historische cultuurplanten, een terrein waar noch kunsthistorici, noch collega-botanici, noch moderne bloemkwekers veel vanaf weten. Segal: 'Biologen zijn alleen geinteresseerd in natuurlijke soorten en varieteiten. Van cultuurplanten weten ze weinig af. En ook bloemkwekers weten weinig van de oude vormen af. Een kunsthistoricus die bij een willekeurige botanicus of bloemkweker te rade gaat, zal dus lang niet altijd het goede antwoord krijgen. 'Een paar jaar geleden schreef iemand iets over een schilderij waar een bepaalde plant op voorkwam. Hij had het ding laten determineren door een bioloog en die had gezegd dat het een komkommerplant was. Daar leek het inderdaad sterk op toen ik de foto onder ogen kreeg. Maar toen ik mij erin verdiepte zag ik dat het een druif was. Waarschijnlijk had ik ook komkommerplant gezegd als ik me er niet in verdiept had. Voor dit soort gevallen heb je wel een specialist nodig, zeker als je bedenkt dat veel bloemen ook nog eens allesbehalve duidelijk en herkenbaar zijn geschilderd.'

Volgens Segal is de kunsthistorische belangstelling voor stillevens altijd gering geweest: 'Toen ik vijftien jaar geleden begon, was het terrein nagenoeg onontgonnen. Ik had maar een echte voorganger, de Zweed Bergstrom die in 1947 een belangrijk boek over Hollandse bloemstillevens schreef. Eerst dacht ik dat het een vrij beperkt onderwerp was dat ik wel in mijn eentje kon overzien en waar ik in een mensenleven wel een heel eind in zou vorderen. Maar al snel werd me duidelijk dat het een zeer omvangrijk terrein is. 'Ik stelde me tot doel om zo wetenschappelijk en zo veelzijdig mogelijk stillevens te beschrijven. Ik stapte daarom naar kunsthistorici toe en vroeg ze of ze soms een methodiek hadden waarmee ze schilderijen beschreven. Tot mijn verrassing bleek dat niet altijd het geval. Men beschreef afbeeldingen niet volgens een consistent plan waarin alle aspecten van compositie, kleurgebruik, penseelvoering enzovoorts systematisch waren opgenomen. Niet alle kunsthistorici kunnen even goed kijken. Als ecoloog leer je dat wel heel grondig. Voor de beschrijving van stillevens heb ik dan ook een eigen volgorde ontwikkeld van zaken waar je op moet letten en dat uitgewerkt tot een systeem.'

Toename

De opkomst van het Hollandse bloemstilleven in het begin van de zeventiende eeuw was even hevig als plotseling. Werden voor 1550 nog minder dan twintig soorten cultuurplanten op schilderijen en tekeningen afgebeeld, aan het begin van de zeventiende eeuw waren dat er een paar honderd. Bovendien verschijnt in een deel van die soorten al gauw een grote hoeveelheid varieteiten en hybriden, waarvan een groot deel tegenwoordig niet meer bestaat.

Maar hoe rijk de uitgebeelde soortenrijkdom ook was, met de natuur had ze weinig of niets te maken. Het ging immers vrijwel altijd om cultuurplanten en de natuurlijke omgeving als zodanig werd zelden of nooit uitgebeeld. De composities waren bijzonder kunstmatig en bovendien vaak samengesteld uit bloemen van verschillende seizoenen die de schilder nooit tegelijkertijd gezien kan hebben.

Segal: 'Natura artis magistra is niet van toepassing op de hoogtijperiode van de Nederlandse bloemschilderkunst. Pas in de negentiende eeuw zijn de schilders zich gaan interesseren voor een directe uitbeelding van de natuur en eigenlijk is Van Gogh de eerste Nederlander die rechtstreeks schilderde wat hij zag.' Door zijn jarenlange omgang met bloemstillevens is Segal het stilleven als genre steeds meer gaan waarderen. 'Vroeger vond ik, net als de meeste andere mensen, stillevens nogal saai. Door mijn veel grotere kennis is dat nu radikaal veranderd. Het meest houd ik van Jan Breughel, Balthasar van der Ast en Cornelis de Heem. Dat zijn heel uiteenlopende schilders, die elk heel eigen vormen van schoonheid hebben ontwikkeld. Stillevens spreken een bepaald type mensen aan, ze nodigen uit tot een specifiek soort innerlijke beleving. Het stilleven is de kamermuziek van de schilderkunst. '