EEN HALFBAKKEN WETENSCHAP

Wie ligt er eigenlijk wakker van als economen verkeerd worden opgeleid? Als mijn blinde darm eruit moet, is het van groot persoonlijk belang dat de heer of dame die het mes hanteert niet alleen de slagersvakschool heeft doorlopen, maar ook - bij voorkeur aan een medische faculteit met een goede reputatie - geslaagd is voor het tentamen 'Ingewanden'. Afgezien van een deuk in het zelfrespect van de beroepseconomen zijn de schadelijke gevolgen van een slechte economisch-wetenschappelijke opleiding veel moeilijker te schatten.

Arjo Klamer en David Collander, beiden hoogleraren economie in de Verenigde Staten, maken zich zorgen over de academische opleiding van beroepseconomen en in het bijzonder over de Ph.

D.-opleidingen aan de top twintig 'Graduate Schools' in de Verenigde Staten. Die zorgen hebben een zeer leesbaar boek tot resultaat. De universiteiten in kwestie zijn verantwoordelijk voor de vorming van de elite van de nieuwe generaties economen in de VS. Uit deze groep komt een klein aantal economen die, grotendeels via carrieres aan de beste Amerikaanse universiteiten, de ontwikkeling van het economisch denken sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog hebben bepaald.

Klamer en Collander zijn duidelijk van mening dat wat zich afspeelt in dit kleine clubje academici van algemeen belang is. Daarmee zijn ze in goed gezelschap. In zijn The General Theory of Employment, Interest and Money schreef John Maynard Keynes in 1936: 'the ideas of economists and political philosophers, both when they are right and when there are wrong, are more powerful than is commonly understood. Indeed the world is ruled by little else. Practical men, who believe themselves to be quite exempt from any intellectual influences, are usually the slaves of some defunct economist. Madmen in authority, who hear voices in the air, are distilling their frenzy from some academic scribbler of a few years back.'

Interviews

Klamer en Collander voerden uitgebreide gesprekken met Ph.D.-studenten aan MIT, Harvard, Chicago en Columbia en hadden wat kortere discussies met studenten aan Stanford en aan mijn eigen universiteit, Yale. Uit de verslaglegging van deze gesprekken blijkt, dat wie aan een Ph.D-opleiding begint na een Bachelor's degree (eerste fase-opleiding) vaak de schok van zijn leven krijgt. Veel studenten kiezen voor een Ph.D.-opleiding in de economie omdat ze bij voorbeeld geinteresseerd zijn in ontwikkelingsproblematiek, milieubeleid, werkloosheidsvraagstukken, inflatie, internationale handel, economische integratie, de rol van planning en het systeem van vrije markten.

Van deze economische vraagstukken zullen zij in het eerste jaar van hun opleiding vrijwel niets zien. In plaats daarvan worden ze doodgegooid (en getentamineerd) met wiskundige statistiek, econometrie en theoretische micro- en macro-economie, gelardeerd met grote scheppen wiskunde.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat een vrij groot aantal Ph.D.-studenten weinig of geen economie heeft gezien in hun eerste fase-opleiding en dat dit voor de Ph.D.-opleiding vrijwel geen handicap betekent. Een goede wiskundige basis is waarschijnlijk de beste voorbereiding voor het Ph.D. -programma. Ook het tweede jaar van de Ph. D.-studie bestaat volledig uit een getentamineerde opleiding, hoewel er nu wat meer differentiatie komt tussen de individuele studiepakketten. In Yale, bij voorbeeld, moeten studenten zich in twee vakken specialiseren. Vaak worden dit 'toegepaste' vakken (arbeidseconomie, openbare financien), hoewel 'toegepast' veelal duidt op de aanwezigheid van een grote scheut econometrie, en niet op een beschrijvende, institutioneel gerichte benadering. In het derde en vierde jaar van de opleiding zou het proefschrift moeten worden geschreven. In feite doet de modale student er vaak een jaartje langer over. Het proefschrift wordt niet gezien als een levenswerk, maar eerder als een veel bescheidener proeve van bekwaamheid.

Goocheltrucjes

Wat zijn de goede en slechte kanten van deze opleiding? Klamer en Collander tonen aan dat de studenten in het eerste en tweede jaar vaak door de bomen het bos niet meer zien. Ze hebben veelal de indruk uitsluitend technische goocheltrucjes te leren. Technische vaardigheid is de enige vorm van kennis die wordt gewaardeerd. Wie goed kan programmeren, is een ster - zelfs als hij niet weet of het nationale inkomen van de VS vijf miljoen of vijf triljoen dollar is. Het resultaat is dat de studenten vaak cynisch worden en de hele opleiding als een soort van zinloze voorbereiding zien voor het gilde der academische economen. Tegen het einde van de opleiding zijn ze soms door dit meerjarig spelletje zodanig gesocialiseerd dat ze alle kritische vermogens hebben verloren en het spel met de realiteit verwarren.

Dit blijkt de norm te zijn in Chicago. Elders blijft men zich bewust van de kloof tussen de economische realiteit en het moeizaam verworven academische kennispakket. Hoewel er veel waardevols staat in The Making of an Economist, is de analyse van Klamer en Collander wat overtrokken. Voor veel van de problemen die ze terecht signaleren zijn er bovendien vrij eenvoudige oplossingen.

Het is, mijns inziens, onontkoombaar dat economisch wetenschappelijk onderzoek sterk kwantitatief en wiskundig van aard is en zal blijven. Ons onderzoeksobject, de economische realiteit, is complex, dynamisch, en een onderling afhankelijk organisch geheel. De studie ervan vereist de grootst mogelijke intellectuele discipline. Wiskunde en formele logica zijn de beste hulpmiddelen om te voorkomen dat er inconsistent en vrijblijvend wordt gezeverd. Het is natuurlijk heel goed mogelijk om logisch consistente flauwekul te verkopen, en veel economische theorie valt, helaas, in deze categorie. Maar dit ondergraaft niet de noodzaak van een rigoureuze aanpak.

Serieus met gecontroleerde experimenten werken, is niet mogelijk in de economische wetenschapsbeoefening (evenmin als in de sterrenkunde). Dit betekent dat het altijd een halfbakken wetenschap zal blijven. Kwakzalverij is moeilijk uit te roeien: je kunt een economische theorie zo gek niet maken of er is wel een econoom te vinden die hem verdedigt: de goud-standaard, de theorie van de irrelevantie van de overheidsschuld, de efficientie van de financiele markten et cetera.

Ideologie

Problemen met empirische verificatie en falsificatie plus het feit dat economisch beleid belangrijke politieke en levensbeschouwelijke raakpunten heeft, leiden ertoe dat economische wetenschapsbeoefening en ideologische argumentatie vaak hand in hand gaan. De meeste economen zijn zich hier nauwelijks van bewust. Het is ook treffend hoe vaak quasi-religieuze terminologie wordt gebruikt als de grondslagen van de economie in het geding zijn. 'Ik geloof niet in de Nieuwe Klassieke evenwichtsveronderstelling' ; 'Ik geloof niet in de Neo-Keynesiaanse benadering.'

Geloof heeft misschien iets te maken met ons standpunt over de 'Onbevlekte Ontvangenis', maar zou buiten de grondregels van de economie gehouden moeten worden.

De enige manier om te voorkomen dat het verwerven van de noodzakelijke wiskundige en statistische vaardigheden ten koste gaat van de ook noodzakelijke institutionele en historische kennis, is door de opleiding van hen die economisch wetenschappelijk onderzoek willen gaan doen te verlengen en te verdiepen. Om te voorkomen dat dit leidt tot te veel pensioengerechtigde verse Ph.D.'s, zal de op zelfstandig wetenschappelijk onderzoek gerichte component van de opleiding veel eerder moeten beginnen.

De overgrote meerderheid van de aankomende eerste fase-studenten (allen die niet van plan zijn zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te gaan doen) zal een algemene, niet al te technische, opleiding volgen, gericht op carrieres in het bedrijfsleven of de overheid. In Nederland zou het bestaand nieuwe (korte) doctoraalprogramma daarvoor kunnen zorgen. Het is een illusie dat dit doctoraalprogramma nu studenten aflevert op het niveau dat ze zelfstandig wetenschappelijk onderzoek zouden kunnen doen.

Een kleine minderheid van de studenten gaat een meer kwantitatieve, wiskundige en formele opleiding doen. Mits de veertigurige werkweek met zo'n vijftig procent wordt verlengd, moet het mogelijk zijn om in negen jaar (vier voor de eerste fase, vier voor de Ph.D. en een reserve) een technisch goed geschoold econoom af te leveren. Het is ook onzinnig, zoals Klamer en Collard beweren, dat veel van wat voor economisch onderzoek doorgaat een vorm van collectief navelstaren is: men bestudeert het model van Lucas (een moderne Chicago-coryfee) of, als men heel historisch georienteerd is, het model van Friedman of zelfs van Keynes, in plaats van het reele economische probleem dat die oorspronkelijke bijdragen inspireerde. Belangstelling voor en kennis van de geschiedenis van het economisch denken is, zoals gezegd, niet alleen een goede zaak maar zelfs een noodzaak, maar de onderzoeksproblematiek moet gemotiveerd worden vanuit de economische werkelijkheid.

De economische onderzoeksmarkt faalt inderdaad, maar het belangrijkste probleem is niet dat de Ph.D.-studenten teveel wiskundige kennis en te weinig institutionele kennis hebben. De meesten hebben nog te weinig wiskundige kennis. Verlenging en intensivering van de opleidingsfase gericht op de voorbereiding tot het doen van zelfstandig wetenschappelijk onderzoek lost dat probleem op.

Wat Klamer en Collard zien als cynisme onder de Ph.D.-studenten, zie ik meer als (gedeeltelijk leeftijdsgebonden) gezonde scepsis. Klamer en Collander laten zich positief uit over het enthousiasme en de zelfidentificatie met de Chicago-traditie die onder de studenten in Chicago te vinden was. Ik had de tegenovergestelde reactie. De quasi-unanimiteit onder de jonge aspirant-economen in Chicago en hun onkritische meeloperij met de plaatselijke coryfeeen was bijna eng. Hier wordt een groep 'True Believers' opgeleid, die voor elke vraag hetzelfde antwoord heeft.

Een serieus probleem is wat in de context van de financiele markten in Groot-Brittannie en de VS 'Short termism' (kortzichtigheid) wordt genoemd. Diepgaand, langdurig onderzoek, waar de kost ver voor de baat gaat en de baat bovendien nog zeer onzeker is, wordt ondergewaardeerd. Hoe de economische faculteiten (en hun geldschieters) dit zullen oplossen, is een open vraag. Ik zal zien of ik er een van mijn Ph.D. -studenten in kan interesseren.

The Making of an Economist. Auteurs: Arjo Klamer en David Collander. Uitgever: Westview Press. Prijs: 55 gulden.

ISBN : 0 813 306 981

Willem Buiter is hoogleraar aan Yale University (VS).