DURE OLIE DUWT EEN AANTAL LANDEN RICHTING RECESSIE

De Westerse economieen zijn nu beter dan na de voorgaande oliecrises in staat om externe schokken te verwerken. Maar voor landen als de Verenigde Staten en Groot-Brittannie komt de Golf-crisis zeer ongelegen. Dat geldt nog sterker voor Oost-Europa dat juist zijn weg zoekt naar een vrije markt. Gesprek met dr. H. J. Witteveen. Is de recente stijging van de olieprijzen een calamiteit - met andere woorden staat de wereldeconomie aan de vooravond van een recessie of zelfs depressie? In de visie van dr. H. J. Witteveen is dat niet het geval. 'De wereldeconomie als geheel heeft op dit moment genoeg flexibiliteit om de olieprijsstijging te 'verwerken', maar voor een aantal landen zoals bij voorbeeld de Verenigde Staten, Groot-Brittannie, Argentinie, Brazilie en de Oosteuropese landen voorzie ik grote moeilijkheden', voorspelt de oud-minister van financien en ex-directeur van het Internationaal Monetair Fonds.

Ruim een half jaar gelden zei Witteveen in een vraaggesprek met deze krant: 'Recessies behoren - calamiteiten uitgezonderd - tot het verleden. In het afgelopen decennium is de internationale conjunctuur minder grillig verlopen. Ik verwacht dat deze ontwikkeling zich zal doorzetten in de jaren negentig.'

Dit beeld zal volgens Witteveen niet worden verstoord door de olieprijsstijging die volgde op het conflict in de Golf.

De neiging is groot om de jongste prijsstijging op een lijn te zetten met de eerste en de tweede oliecrisis, meent Witteveen. Twee keer zijn de olieprijzen in de jaren zeventig sterk gestegen, twee keer zijn ze de voorbode geweest van een mondiale economische recessie. 'Maar deze olieprijsstijging is veel geringer en de geindustrialiseerde landen zijn minder kwetsbaar geworden', zegt Witteveen. 'Maar laten we eerst even de spelregels bepalen.'

Een recessie is een tijdelijke economische inzinking - minimaal twee kwartalen; een depressie is een langdurige inzinking van de economie. Deze twee begrippen worden volgens de oud-hoogleraar economie steeds door elkaar gebruikt en leiden tot 'een Babylonische spraakverwarring'.

Petro-dollars

Op doceertoon vervolgt hij zijn betoog. 'De wereldwijde economische recessies na de eerste en tweede oliecrisis waren het gevolg van een sterke terugval van de wereldvraag.'

Door de hogere olieprijs stegen de inkomsten van de Opec-landen, de zogenoemde petro-dollars. Maar het duurde enige tijd voordat die oliedollars in de geindustrialiseerde landen werden uitgegeven, of werden gebruikt voor leningen door de Opec-landen. Na de eerste oliecrisis hadden de Opec-landen bij voorbeeld een overschot van 65 miljard dollar. De huidige prijsstijging zal niet tot een 'oppotting' van oliegelden leiden, verwacht Witteveen. 'De Opec-landen hebben hun economieen gemoderniseerd en zullen extra inkomsten sneller uitgeven. Iran zal het extra geld gebruiken voor de wederopbouw van het land. De Saoediers zullen het zo snel mogelijk willen omzetten in wapentuig.' Om zich niet voor de derde keer door de Opec te laten overvallen, hebben de meeste Westerse landen sterk op energie bezuinigd, alternatieve energie gestimuleerd en strategische voorraden aangelegd. 'Deze voorraden hebben een omvang van ongeveer een miljard vaten olie. Dat betekent dat de geindustrialiseerde landen ongeveer 250 dagen 'full speed' kunnen draaien in het geval de olie-export van Irak en Koeweit niet wordt gecompenseerd', stelt Witteveen.

Conjunctuur

De internationale conjunctuur heeft sinds de jaren tachtig een minder grillig verloop laten zien door onder meer de vervlechting van de internationale financiele markten en de veranderde binnenlandse economische structureren. De toegenomen betekenis van de dienstensector en de overheid leiden tot een stabielere produktie. Ook is de produktie minder olie-intensief geworden en daarmee stabieler. 'Maar in de Herald Tribune las ik een verontrustend cijfer', zegt Witteveen. De Verenigde Staten gebruiken 3,35 ton olie-equivalenten voor 1000 dollar bruto nationaal produkt. In Japan en de Bondsrepubliek bedragen deze cijfers respectievelijk 1,24 en 1,87 ton. 'Deze gegevens illustreren dat de Amerikaanse regering niet alert genoeg heeft gereageerd op de eerste en tweede oliecrisis.' De VS kunnen volgens Witteveen door de Golf-crisis 'over de rand van een economische recessie worden geduwd'. In de eerste helft van dit jaar bedroeg de economische groei in de VS nog 1,5 procent op jaarbasis. Door de olieprijsstijging zal de economische groei afglijden naar 0,75 procent, verwacht minister van financien Nicholas Brady 'but won't cause a recession'.

Bij een prijs van veertig dollar per vat zal de Amerikaanse economie een recessie niet meer kunnen tegenhouden, voorspelde Brady.

De inflatie stijgt met een half procentpunt tot vijf procent. Alan Greenspan, de voorzitter van de Fed - het stelsel van centrale banken, vindt dit te hoog. Hij wil door een strak monetair beleid de inflatie onder controle krijgen. 'Greenspan komt door de olieprijsstijging voor de keus: of een hogere inflatie, of een recessie', verwacht Witteveen. Maar zijn speelruimte is zeer beperkt. Als hij bij voorbeeld de rente verlaagt, dan stimuleert dit de binnenlandse bestedingen - consumptie en investeringen nemen toe. Maar het schrikt buitenlandse beleggers die het tekort op de lopende rekening financieren en die obligaties kopen om de overheidsschuld te financieren, af. In reactie daarop zou de koers van de dollar sterk kunnen dalen, waardoor de inflatie stijgt doordat geimporteerde produkten duurder worden.

In theorie zou een verhoging van de overheidsuitgaven een oplossing kunnen bieden, maar de praktijk (het begrotingstekort) staat dit niet toe. 'Voor de VS slaat de 'Baghdad Bully' wel op een zeer ongunstig moment toe', constateert Witteveen. President Bush stond op het punt om de belastingen op bij voorbeeld energie te verhogen. Door de olieprijsstijging is dit op de lange baan geschoven. En ook de incasering van het 'vredes-dividend' gaat niet door - de defensie-uitgaven worden zelfs verhoogd. Het wordt steeds moeilijker voor Bush om het tekort op zijn begroting te verkleinen.

Noorzee-olie

Ook de economie van de trouwste bondgenoot van de Verenigde Staten is op dit moment zeer kwetsbaar. 'De inkomsten van de Britse overheid stijgen weliswaar doordat de Noordzee-olie meer oplevert, maar dat biedt geen soelaas', meent Witteveen. Ook Groot-Brittannie schuifelt langs de rand van een recessie. Afnemende winstmarges, een stijgende werkloosheid, een inflatie van tien procent en een rentevoet die in de afgelopen twee jaar bijna is verdubbeld tot vijftien procent. En dat hoge percentage is - net als in de VS - nodig om buitenlands kapitaal aan te trekken voor de financiering van het tekort op de Britse betalingsbalans.

In Japan is de economische situatie ideaal, meent Witteveen: een economische groei van 4 a 5 procent, praktisch geen inflatie, een te verwaarlozen werkloosheid. De Japanse uitvoer stijgt, maar de invoer neemt naar verhouding sneller toe en daardoor daalt het overschot op de lopende rekening. Japan zit aan de grenzen van de produktiecapaciteit, zodat inflatoire spanningen dreigen. De monetaire autoriteiten zouden volgens Witteveen eigenlijk voorzichtig op de rem moeten trappen. De centrale bank van Japan heeft dit nog niet gedaan, maar het prijsverhogend effect van de stijging van de olieprijzen zou ze daartoe kunnen dwingen. Een hogere rente in Japan zou de uitvoer van Japans kapitaal afremmen, wat vervelende gevolgen kan hebben voor de Angelsaksische landen. 'De Britse en Amerikaanse economie worden op de been gehouden door Japans kapitaal', zegt Witteveen chargerend. 'De Japanse economie heeft het meest adequaat op de eerste en de tweede oliecrisis gereageerd, en daar ligt ook een belangrijk element van hun succes', meent Witteveen. De olieprijsstijging zal een beperkt effect hebben op de Japanse economie.

Pragmatisch

Voor de Bondsrepubliek komt de Golfcrisis op een zeer ongelegen moment. 'De Duitsers hebben de handen vol om in hun vergrote huis orde op zaken te brengen', zegt Witteveen. De financiele en economische gevolgen van de Duitse hereniging zijn volgens hem sterk onderschat. 'De omwisselkoers van een Duitse mark voor een Ostmark was duidelijk een politieke beslissing.' De Duitsers kunnen volgens hem nu de vruchten plukken van het begrotingsbeleid dat ze de afgelopen jaren hebben gevoerd. 'De overheid heeft de financiele middelen om investeringen in de DDR aan te moedigen, zoals bij voorbeeld de verbetering van de infrastructuur.'

In West-Duitsland draait de economie al op volle toeren en investeringen zijn nodig om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Duitsland staat aan de vooravond van een 'investerings-boom' 'en in de 'slipstream' volgt Nederland', voegt Witteveen eraan toe. Maar de olieprijsstijging zou weleens tot 'een economische tempovertraging' kunnen leiden omdat de Bundesbank de monetaire teugels aanhaalt.

Ook voor de Oosteuropese landen komt de Golf-crisis op een zeer ongelukkig moment, meent Witteveen. Met uitzondering van de Sovjet-Unie, de grootse olieproducent ter wereld, betekent de olieprijsstijging een financiele tegenvaller die miljoenen dollars kan gaan kosten. En dat in een periode waarin deze landen hun weg zoeken naar een vrije markt.

Voor de niet olie-exporterende schuldenlanden, met name Brazilie en Argentinie, voorziet Witteveen grote moeilijkheden. Deze landen ('die door de revoluties in Oost-Europa even uit beeld zijn geweest') zijn sterk afhankelijk van olie-importen en de gestegen olieprijs vertaalt zich in een verslechtering van de lopende rekening van de betalingsbalans. De mogelijkheden om dit met een hogere export te compenseren, zijn beperkt. 'Hun grootste afnemer - de Verenigde Staten - wil de import juist afremmen. En de huidige, relatief lage koers van de dollar maakt het voor deze landen moeilijk om naar de VS te exporteren', verwacht Witteveen. De Latijnsamerikaanse landen zouden de economische betrekkingen met Europa en Japan moeten aanhalen.

Na de eerste oliecrisis introduceerde het IMF op initiatief van Witteveen een fonds (in de wandelgangen de Witteveen-faciliteit genoemd) waarop landen die hun olierekening niet meer konden betalen, een beroep konden doen. Wordt de situatie voor de schuldenlanden zo precair dat weer een dergelijk fonds moet worden gecreeerd? 'Het is een gedateerd instrument', zegt de oud-IMF-directeur ruim vijftien jaar later. 'De flexibiliteit van de wereldeconomie is na een decennium van economische liberalisatie vergroot. Maar voor de Oosteuropese landen komt de klap hard aan.'