De spreuk van Westerman, Werlemann en Wijsmuller

De volledige naam van de Amsterdamse dierentuin luidt Natura Artis Magistra. Waar komt die spreuk vandaan? Niet uit de klassieke oudheid. Niet uit de middeleeuwen. En is de algemeen aanvaarde betekenis: de natuur is de leermeesteres van de kunst, wel de betekenis die de oprichters van Artis voor ogen stond? Een speurtocht naar drie woorden.atura artis magistra is de Latijnse versie van de gedachte dat de natuur de leermeesteres is van de kunst. Doordat het ook de naam is van het Koninklijk Zoologisch Genootschap te Amsterdam, is het een van de weinige klassieke spreuken die nog niet zo dood zijn als de talen waarin ze werden geschreven. Voor iedere dierentuinbezoeker behoort het woord Artis tot het dagelijks taalgebruik en voor velen is de vertaling van de hele zin een kleinigheid. Des te eigenaardiger is het dan te ontdekken dat niemand eigenlijk weet waar de spreuk vandaan komt. Vraag tien geinteresseerden naar de bedenker ervan, en de antwoorden zullen varieren van ik weet het niet tot Aristoteles en Erasmus en van Plinius tot Linnaeus. Ikzelf dacht altijd Horatius, maar dat bleek even dicht bij de waarheid als Thorbecke en Hillenius, die ik ook ergens heb horen noemen.ijn zoektocht naar de bron van natura artis magistra begint wanneer de driedelige Van Dale de overbekende spreuk niet blijkt te noemen. Daar waar ik hem verwacht, in de Lijst van Gevleugelde Woorden, na natura abhorret vacuum, staat niets wat er op lijkt; alleen het devies van de schilder Titiaan natura potentior arte, de natuur is machtiger dan de kunst komt in de buurt. Ook het Prisma citatenboek ('3000 citaten thematisch gerangschikt') en het Prisma van de Latijnse citaten en gezegden zwijgen in alle talen.

Als ik de spreuk voor het eerst in een naslagwerk tegenkom, sta ik in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, op de bibliografische afdeling, waar de binnen- en buitenlandse citatenwoordenboeken twee planken vullen. Engeland, Duitsland en Frankrijk lijken van natura artis magistra nog nooit gehoord te hebben en komen niet nader dan 'iedere kunst is een nabootsing van de natuur' (Seneca). Maar in het Kosmos Groot Citatenboek is het te vinden onder nummer 7092. De vertaling wordt gegeven, het Zoologisch Genootschap genoemd, maar een verwijzing naar de klassieken ontbreekt. En wanneer ook een zeer volledig geannoteerd Nederlands wapenspreukboekje het juist op dit punt laat afweten, bedenk ik dat ik mijn onderzoek verkeerd heb aangepakt. Ik had natuurlijk bij Artis zelf moeten beginnen. Daar zouden ze het zeker weten.

Henriette Plantenga is medewerkster van Artis en heeft een kamertje in een van de diergaardegebouwen: 'Ik zit achterin de tuin boven de roofvogels.' Onderweg passeer ik niet alleen de apenrots, de leeuwen en de olifanten, maar ook een aantal schilderende mensen. Kennelijk is voor velen de natuur nog steeds de leermeesteres van de kunst. 'Dat klopt', zegt Plantenga; 'we hebben hier de zogenaamde Artis Ateliers, waarvan je lid kunt worden. En in het voorjaar komen er bijna iedere week wel schoolklassen die van de meester of juf moeten natekenen'. Henriette Plantenga weet veel over Artis. Wat ze niet weet kan ze meestal wel vinden in het ouderwets-bruine bibliotheekje dat aan haar kamer grenst. Zo niet de oorsprong van het dierentuindevies: 'We hebben er ontzaglijk vaak naar gezocht. Want elk jaar moeten we het antwoord wel een paar keer schuldig blijven. De oprichters van Artis, Westerman, Werlemann en Wijsmuller, hebben zich niet over de betekenis van het natura artis magistra uitgelaten en al helemaal niet over de herkomst ervan. Het is trouwens opvallend hoe sterk in die oude stukken de nadruk wordt gelegd op het wetenschappelijk doel van het genootschap. Het gaat om het 'bevorderen van de kennis der natuurlijke historie'. Over kunst wordt niet gepraat. Het lijkt wel of ze bang waren om onserieus gevonden te worden.' Het laatste doet vermoeden dat de drie Latijnse woorden, ondanks hun klassieke uitstraling, gewoon zijn verzonnen door de oprichters zelf. Maar dat lijkt Plantenga sterk, en met reden: in het eerste bezoekersgidsje van Artis (1843), tussen blauwe kaft en goud op snee, schrijft Wijsmuller een 'historisch overzigt' waarin hij de naam van de dierentuin verdedigt: 'Het is mogelijk dat ook de latijnsche titel de aandacht opwekte, en het is vreemd dat onderscheidene wetenschappelijke instellingen te Amsterdam eene latijnsche zinspreuk voeren.

Van sommige dezer symbolae hebben geleerden vaak de onjuistheid aangemerkt, en zamenstel of spelling gewraakt. 'Wij houden het er voor, dat de stichters van dit genootschap, zij het ook geene gelukkige, dan toch eene verstandige keuze deden. Zij handelden zonder de minste aanmatiging, en stelden liever eene algemeen bekende spreuk boven de poort, dan het verwijt op zich te laden, iets een' naam te geven, waarop het nog geene aanspraak had'. De spreuk was dus al in 1838 algemeen bekend. Maar waarom is hij dan in geen enkel citatenboek terug te vinden? En waarom kiest een van nature wetenschappelijke instelling een naam waarin juist de kunst centraal staat? Misschien moet ik te rade gaan bij het Gemeentearchief. Daar bevinden zich de papieren van Artis. Die brengen ongetwijfeld uitkomst. oordat ik langs ga bij het archiefdienst, breng ik een bezoek aan het Archeologisch Historisch Instituut, centrum van de klassieke letteren in Amsterdam. Buiten heerst een hittegolf, en hoewel het binnen tussen de blinde muren en gipsen beelden aangenaam koel is, hebben de residerende medewerkers verstek laten gaan. De enig aanwezige classicus kan mij niet helpen, en ik kijk in de klassieke bibliotheek de lemmata natura, ars en magistra na. De woordenboeken zijn plakkerig van het gebruik, maar tussen de tientallen citaten die onder elk woord worden genoemd, staat nergens natura artis magistra. Dat zou in ieder geval betekenen dat de spreuk niet uit de klassieke oudheid afkomstig is.

Nog interessanter is de uitleg die er bij ars gegeven wordt. In het Latijnsch Woordenboek van Van Wageningen en Muller staat als eerste betekenis 'kunst'; meteen daarna lees ik: '2) daar echter de begrippen van kunst en wetenschap bij de ouden niet zoo scherp gescheiden waren als bij ons, wordt ars gebruikt van elke wetenschap in den strengen en meer verheven zin van het woord'. Het begint er op te lijken dat Westerman c.s. met artis gewoon doelden op de wetenschap en niet op de kunst. Maar zou die spreuk in Nederland dan anderhalve eeuw lang door iedereen maar half of verkeerd zijn begrepen?et Amsterdams Gemeentearchief is een publieksonvriendelijke instelling. Ieder verzoek moet bevochten worden en bij iedere handeling zijn minstens drie mensen omslachtig betrokken. Daarbij kom ik ongelegen. 'Vanwege iets met Sail' worden er maximaal twee stukken gehaald. En er wordt niet gekopieerd. Ik maak een keus uit Persoonlijk Archief 395 (Artis), en tref zowaar het goede deel: de archiefstukken vanaf 1838, met helemaal aan het begin de notulen van de ongedateerde eerste vergadering. Geen woord over de oorsprong van de naam van het Genootschap, maar wel een verrassende slotzin: 'Meer en meer blijke het door uwe medewerking Mijne Heeren dat de Natuur de Leermeesteresse is der Wetenschappen en wij verheugen ons steeds in den Bloei der Stichting van: Natura Artis Magistra'. De oprichters van Artis hadden dus een heel ander devies voor ogen dan wij tegenwoordig. Blijft de vraag wie toch als eerste het natura artis magistra formuleerde. Omdat daarvoor ook in het Westerman-archief geen aanwijzingen zijn te vinden, besluit ik mij te wenden tot een specialist Latijn..J. M. Bartelink is emeritus-hoogleraar in onder meer het postklassiek Latijn. Ik ken hem vooral als samensteller van het Prisma Latijns citatenboek, waarin het artisdevies helaas niet was opgenomen.

'Ach', zegt hij, 'U weet hoe dat gaat: dat boekje moest tussen het gewone werk door en mocht maar 300 bladzijden zijn. Wat die spreuk betreft, ik ben ervan overtuigd dat de gedachte uit de Oudheid afkomstig is. Maar dat wil niet zeggen dat het toen ook zo geformuleerd is. Zegswijzen zijn vaak niet terug te voeren op een bepaalde bron, zeker niet wanneer ze uit de Renaissance of de Verlichting afkomstig zijn. Maar kijkt u eens in Walthers middeleeuws spreekwoordenboek, of anders bij de Adagia van Erasmus. Daar zal hij zeker bij zitten'. Bartelinks aanwijzingen brengen mij naar de afdeling Neolatijn van de bibliotheek van het PC Hoofthuis. De vijf delen Proverbia van Walther en de vierduizend adagia van Erasmus vermelden natura artis magistra niet, maar mijn bezoek is niet helemaal voor niets: de bibliotheek heeft een aantal goede boeken over kunstesthetica, waarin de geschiedenis van de mimesis-gedachte (kunst als navolging van de natuur) wordt beschreven van de oude Grieken tot en met de Romantiek. De artis-spreuk wordt nergens geformuleerd, maar de Amsterdamse theoloog en kunstcriticus Jan van Konijnenburg, die in 1809 een rede voor de Teeken-Academie hield, komt er dicht bij: 'De Natuur, die oneindig is in hare verscheidenheid en overal naar vervolmaking streeft, is de schoole alwaar de kunst zichzelve heeft te oefenen'. De gedachte dat de kunst iets van de natuur kan leren is van alle tijden. De spreuk natura artis magistra lijkt voor 1838 nergens te vinden.

Zo bereik ik het eindpunt van mijn onderzoek: een standaardwerk met emblemeta uit de 16de en 17de eeuw waarin de artis-spreuk zelfs niet in gedachte terug te vinden is, maar wel precies zijn tegenhanger. Ars victrix naturae (de natuur is de overwinnaar van de kunst) staat er boven een plaatje van een beteugeld span wilde dieren. En eronder staat: naturam domat ars magistra 'de kunst houdt als leermeesteres de natuur in bedwang'. Ik bel Henriette Plantenga. Het lijkt haar te gewaagd om te stellen dat de naamgevers van Artis slechts de wetenschap voor ogen hadden, zoals uit het archiefmateriaal blijkt. Immers, van begin af aan werden in de zoologische tuin concerten georganiseerd en kunstenaars geinviteerd. Daarbij komt dat zij in een feestrede bij het 50-jarig bestaan van Artis nog een aanwijzing heeft gevonden voor het feit dat de spreuk natura artis magistra al in de 17de eeuw in de artistieke betekenis bekend was. Daar heeft professor Stokvis het namelijk over de 'gulden regel ... die in het land der Cuyps en der Hondecoeters, der Wouwermans en der Potters, steeds kenspreuk, wapenleus en grondwet was geweest: 'Natura Artis Magistra' '. Veel wijzer zijn we niet geworden. De spreuk blijft onvindbaar, gegevens spreken elkaar tegen en conclusies vallen eigenlijk niet te trekken. En toch moet er iemand in Nederland zijn die het raadsel kan oplossen.