De muze in het Melkwoud

Aan de natuur als leidsvrouw heeft een kunstenaar niets, vindt Jan Wolkers. Zij zadelt je op met allerhande overbodige details, maar een verhaal tot een zinvol einde brengen dat kan ze niet. 'God maakt de werkelijkheid, wij scheppen de illusie.'

Toch vertelt de schrijver een waar gebeurd verhaal.

It's too far-fetched not to be the truth. Oliver Hardy, Sons of the Desert

Een paar jaar geleden gingen we in de herfstvakantie met onze jongens naar Wales. Hoofddoel van de reis was een bezoek aan het graf van Dylan Thomas in Laugharne. Toen we in de schemering dat gehucht aan een baai van de Taf binnenreden werden we vanzelf opgenomen in de wereld van Under Milk Wood, a play for voices, dat Thomas in het begin van de vijftiger jaren geschreven heeft en dat min of meer hier gesitueerd is. It is to-night in Donkey Street, trotting silent, with seaweed on its hooves, along the cockled cobbles, past curtained fernpot, text and trinket, harmonium, holy dresser, watercolours done by hand, china dog and rosy tin teacaddy. De volgende ochtend gingen we naar het Boathouse waar hij gewoond en gewerkt heeft en dat net boven het slib van de baai als een zeepok tegen de rotswand ligt die het water in het golvende land heeft uitgeslepen. Toen we met slikkerige schoenen binnentraden in het bescheiden witte bouwwerkje, dat een klein museum bleek te zijn, werden we als het ware opgeslokt door Dylan Thomas zelf, bijna gewelddadig, alsof de schelp van de dichter achter ons dichtklapte. De uitwerking van zijn stem die via de speakers de ruimten vulde met zoveel volume dat de kalken wanden er op den duur wel van moesten craqueleren.

Here drips a silent (!) honey in my shroud, / Here slips the ghost who made of my pale bed/ The heaven's house. Het was het stemgeluid van de minnaar van Miss Price uit Under Milk Wood, dat omschreven wordt als 'thunderbolt-bass'd'. Een beetje te bulderbassig, maar toch indrukwekkend. We kregen er thee met cake aangeboden door een allerliefst Wels meisje, dat waarschijnlijk een kleindochter van Polly Carter was. Aan een toonbank kon je zijn boeken en platen kopen en tafelbellen, bekers en bordjes van plateel waarop The Boathouse afgebeeld was op een aquarellerige manier, de nagedachtenis van de dichter onwaardig. En ook de kleine strandloper die zich op de voorgrond van het weee landschapje ophield was met weinig visionaire kracht neergepenseeld. Nadat we alle foto's en documenten bekeken hadden gingen we over een glibberig pad omhoog langs de rotswand naar een huisje waar hij in alle eenzaamheid kon werken. Het bleek niet veel meer te zijn dan een blauw geschilderd plankenschuurtje of shed dat overhuifd werd door een tamme kastanje.

Op de voorkant was een bord bevestigd waarop geschreven stond In this building Dylan Thomas wrote many of his famous works, seeking inspiration from the panoramic view of the estuary. Door een raampje keek je dwars door het wankele geval heen naar een raam waarvoor takken van een vijgeboom hingen met kleine hardgroene vijgjes in de oksels van de bladeren. Daardoorheen zag je de uitgestrekte baai die bijna drooggevallen was zodat het doodtij moest zijn. Voor het raam stond een engels rood geverfd houten tafeltje waarop een stoffige bierfles en een lege limonadefles die te kleverig moest zijn om aan te pakken. Rechts aan de wand hing een verbleekte reproduktie van de geboorte van Venus van Botticelli en reprodukties naar schilderijen van Titiaan, Rouault, Rafael en Modigliani.

Gemompel's Middags gingen we naar zijn graf op het kerkhof van Laugharne. Een simpel wit kruis met een strooisel van stukjes wit en groen marmer in het gras eromheen. Ik had nog een gedicht willen zeggen op zijn graf. Especially when the October wind/ With frosty fingers punishes my hair. Maar het bleef bij een hortend binnensmonds gemompel. De ervaring leert je dat onder huisgenoten in-memoriamgebaren zo klein mogelijk moeten blijven. Het was trouwens wel oktober maar er stond geen zuchtje wind die de indian-summerwarmte beroerde, noch was het guur en vier uur. Alleen de jongens hadden met luidruchtige pieteit wat bloeiend kleingoed tussen de graven weggesprokkeld en legden dat aan de voet van het kruis. Daarna liepen we terug naar de auto en reden het gehucht uit. The River Dewi is said to abound in trout, but is much poached. The one place of worship, with its neglected graveyard, is of no architectural interest. Ineens hoorde ik een vreemd geklinkel achter me. Ik keek om en riep verontwaardigd, 'Hebben jullie nou verdomme van die groene stukjes marmer van die arme dichter zijn graf meegestolen. Jullie moeten maar allebei archeoloog worden, dan kunnen jullie van grafschennerij je beroep maken.'

'Het is voor onze verzameling', sputterden ze tegen. 'We dachten dat het wel zou mogen. Jij hebt toch zelf ook een maarts viooltje van het graf van Keats in Rome meegenomen. Dat heeft mama ons zelf gezegd.'

'Geef op die steentjes', beval ik terwijl ik mijn hand naar achteren stak. 'Heb jij ze dat gezegd', vroeg ik verwijtend. 'Maar ik heb er niet bij verteld dat je het door een ander hebt laten meenemen uit Italie. Dat leek me nogal sickish.'

Met een berustende worp gooide ik de steentjes tussen ze in op de achterbank en zuchtte, 'Hier, houden jullie ze maar. Misschien is jullie papa wel net zo slecht als zijn zogenaamd voorbeeldige zonen. Misschien ben ik wel een vaartje naar jullie aardje.' 'Je hebt toch ook uit Amerika een eikel van het graf van Edgar Allan Poe meegenomen. Daar heb je toch dat kleine eikje van dat je zo groot wil laten opgroeien dat je er een schedel in kan verbergen net zoals in het verhaal van The Gold Bug. Maar mama zegt dat je dat niet haalt omdat hij te langzaam groeit.'

Kwaaiig keek ik opzij. 'Zo, zei jullie mama dat.' En met een grimmige lach en een thunderbolt-bass'd stemgeluid voegde ik eraan toe, 'Maar ik haal het wel! Reken maar! Mijn schedel tenminste. Die komt op een dikke tak daarboven in de kruin te zitten. En hoe diep jullie eronder ook zullen graven een schat zal je nooit of te nimmer vinden.' Thuis vertaalde ik zo nu en dan een paar versregels van Dylan Thomas voor de jongens en ik schreef de eerste stanza van Especially when the October wind voor ze op, op een groot vel papier in een zwierig handschrift. Vooral Hearing the raven cough in winter sticks vonden ze prachtig want ze dachten dat die raaf wel Nevermore gekucht en gekrast zou hebben.

Met het voortschrijden van de tijd zakte het miezerige dorpje aan de baai van de Taf weg in onze herinnering want er naderde alweer een nieuwe herfstvakantie met als eindbestemming Florence waar ons voornaamste doelwit de Brancacci-kapel zou zijn om de schilderingen van Masaccio te bewonderen. Toen we voor die tocht gepakt en gezakt waren en iedereen in de auto zat, ging ik nog even de voordeur op het nachtslot draaien. Terwijl ik met de sleutel in mijn hand stond en door het raam de hal in keek, dacht ik, stel je voor dat we een ravijn inrijden en hier nooit meer terugkomen. Ik ging weer naar binnen, zocht het vel papier op met de strofe van Dylan Thomas en zette dat tegen het raam zodat het van buitenaf goed leesbaar was. Daarna liep ik terug naar de auto. Toen ik achter het stuur wilde schuiven zag ik vlak bij het rempedaal een eucalyptuspastille liggen waarvan wij altijd een blikje in de auto hebben. Omdat ik nogal kucherig was, waarschijnlijk aangestoken door de raaf van de dichter, stak ik het keelverzachtertje, hoewel het bezogen en beknauwd leek door een jongensmondje, gulzig in mijn mond en beet erin met gretigheid. Ik slaakte een kreet van pijn en proefde de dood van Dylan Thomas door mijn mondholte trekken als een ijzige koude. Toen ik het groene stukje marmer in mijn handpalm spuwde zaten er splintertjes glazuur van mijn tanden in het speeksel.

Leidsvrouw

Tot zover een verhaal dat is voorgevallen zoals hier verteld. Je zou hieruit kunnen concluderen dat de natuur inderdaad de leermeesteres der kunsten is, dat je op die Miss Natura blindelings zou kunnen vertrouwen als op een leidsvrouw. Dat je als schilder je hand door haar zou kunnen laten bestieren in het volste vertrouwen dat het penseel als vanzelf de juiste lijnen en toetsen aanbrengt, en dat je als schrijver van de ene zinvolle gebeurtenis naar het andere boeiende voorval geleid wordt. Maar o wee, als ik die bedilzieke Droogstopstel, die dwangneurotica, klakkeloos haar gang had laten gaan. Dan hadden we een pagina's lange opeenstapeling van gebeurtenissen opgedist gekregen waaronder datgene waar het om gaat onvindbaar bedolven, zo niet verstikt was. (Want waarom had ik er in godsnaam kond van moeten doen dat het onwezenlijke kleine strandlopertje op de platelen tafelbel op een poot op een hapje slijk stond. Het was zo al erg genoeg. Wat had de zin ervan kunnen zijn om te vermelden dat een plaatselijke artistieke grijsaard in een cafe tegen ons over de dichter zei, dat hij 'a man without malice' was. We zagen zo wel dat dat niet zo was. En waarom aandacht besteden aan de proppen papier die her en der in zijn werkhut over de vloer verspreid lagen. Het leed geen twijfel dat ze door iemand van het V. V. V. daar geplaatst waren als muizevallen voor het oog van de bewonderaars. Ze misten iedere overtuiging en kracht waarmee een dichter de prullaria van zijn onmacht de in gebreken gebleven muze naar het hoofd slingert).

Trouwens, die grillige dame bleek niet in staat te zijn om voor een zinvolle follow-up te zorgen, want in Florence was er niets, behalve de pijn aan mijn geschonden gebit, dat refereerde aan de bezeten bard uit Laugharne. Ze had er zelfs niet voor gezorgd, toen bleek dat de fresco's in de Brancacci-kapel voor het publiek waren afgesloten door een hekwerk omdat ze bezig waren met restaureren, dat het bordje van een van de restaurateurs waar hij de verf op mengde, uit het Boathouse te Laugharne kwam en dat ik toen pas met ontzetting zag dat hij de verheven gelaatstrekken van een van de apostelen veranderd had in de kwaadaardige buldogfacie van Dylan Thomas. Noch liet ze op het plein voor de Santa Croce (een kerk die volgens Byron 'contains much illustrious nothing') een aan lager wal geraakte filosoof op mij af stevenen die halfedelstenen te koop aanbood, en zeggen, toen ik zei dat ik niet geinteresseerd was maar wel een steentje voor hem had, en het stukje groen marmer te voorschijn haalde en het hem aanreikte, 'Maar ik zie dat u in Laugharne geweest bent. Ik moest vanmorgen nog aan de dichter uit Wales denken toen ik mijn hoofd buiten het raam stak en de koele oktoberwind door mijn haren streek. Especially when the October wind, With frosty fingers punishes my hair.'

Niets van dat alles! Slechts stoffige pleinen en in de musea en kerken bijbelse taferelen op de zondige leest der Renaissance geschoeid.

Vervoering

Mijn vroegere anatomieleraar zei altijd, 'Anatomie leer je om zo gauw mogelijk te vergeten.'

En dat was allerminst een man die een hekel had aan de kalkrijke armaturen van het menselijk leven. Een schouderblad of ellepijp kon hij liefderijk strelen alsof het gracieuze Tanagrabeeldjes waren en een bekken bracht hem, zonder onderscheid des geslachts, in een bijkans woeste vervoering. Georges Braque moet eens in ironische wanhoop hebben uitgeroepen, toen het atelierbezoek schamper opmerkte terwijl het van de citroenen van het stilleven naar die op het doek wees, dat zo citroenen er toch niet uitzien, 'Maar zij zijn begonnen!' En zo is het. Kijk goed naar de natuur, bestudeer haar zo nauwgezet mogelijk, maar draai dat vervelende naturalistische vrouwspersoon op tijd je rug toe. Werk als de natuur, niet naar de natuur, zoals Henry Moore's credo luidde. Denk aan de dichtregel van Martinus Nijhoff, Want de natuur is niet de mens ter wille. Toen ik in Salzburg bij Manzu studeerde had een van de leerlingen zo krengerig natuurgetrouw het naaktmodel nagebootst dat je de walm van het paardegeelvette okselsmeer om de klei heen meende te zien hangen. Agressief puilde de navel naar buiten alsof het een drukknop was waarmee je het slappe dressoir van de buik kon laten openklappen zodat een weerzinwekkende braderie van darmen en organen je kunstgevoel tot verse waar zou gaan vermorzelen in de gehaktmolen der werkelijkheid. Ik zal nooit de diepmeewarige uitdrukking van zijn gezicht vergeten waarmee Manzu naar die groezelige vleespotpourri des gemenen levens staarde. Toen hij enigszins bijgekomen was van het wankelen aan de grens van het bestaan sneed hij resoluut een wintervoorraad damesvlees weg, priemde in het restant met zijn vaardige latijnse vingers een aanlokkelijke amandelvorige navel en zei, met een enigszins smartelijke glimlach, dat je de natuur een handje moest helpen anders kwam je met een schepsel opgescheept te zitten waar je allerminst met genoegen naar keek.

De waarheid is iets anders dan de werkelijkheid. Iedere kunstenaar heeft de waarheid in zich, van Goya tot Mondriaan. Laat de werkelijkheid maar aan God over, die traagste fijnschilder ter wereld. Het is geen wonder dat Hij van tijd tot tijd doodverklaard wordt, Hij is niet vooruit te branden. Om van kwal tot kwikstaart te geraken, wat menig kunstenaar op een regenachtige namiddag moeiteloos doet, denk maar aan Salvador Dali of Escher, daar heeft Hij tientallen miljoenen jaren voor nodig. Als je met God wilt wedijveren de eerste akademie waar ik studeerde had de bespottelijke naam Ars Aemula Naturae ben je in de aap gelogeerd. En dat bedoel ik niet alleen in darwinistische zin. God maakt de werkelijkheid, wij scheppen illusies. Maak van je innerlijk geen slagveld waar vrouwe Natura, die concubine van God, en je muze een verbeten gevecht voeren om de heerschappij. Dan gaat het gewis zoals in het versje van de onvolprezen Staring:

'Zulk vechten, Mensen! Zij verslonden Malkander letterlijk! Met iedre hap, ging oor Of poot er af en glad als vet erdoor! Ons scheiden kwam te laat! wij vonden Het restje: op mijn eer, De staart en, en niets meer.'