De draak van Praag; Het realisme in de tekeningen van Anselmus de Boodt (1550-1632)

Dat nooit iemand een eenhoorn of een zeemeermin heeft gevangen, bewijst niet dat ze niet bestaan. De realistisch ogende tekeningen van Anselmus de Boodt, waarvan onlangs een selectie is uitgegeven, tonen bestaande en niet bestaande dieren. 'Zo heeft De Boodt een realistisch ogend zeepaard afgebeeld, waarop een volwassene moeiteloos een ritje kan maken.'

In een cafe in Drenthe zat ik eens aan tafel met twee handelaren in vee. Ze gaven hoog op van hun nering en van hun liefhebberij 'stappen'. Aan de tafel bevond zich ook een ouder echtpaar dat zich per taxi naar de herberg had laten vervoeren. Het gesprek ging over koeien, paarden, jachtgeweren, geld en vooral over wat je met dat laatste kan doen. Een mooi groot huis, dat stond hoog op het verlanglijstje. Het echtpaar had wat dat betreft niets te klagen, maar zocht, bekende het, al jaren iets passends voor de schoorsteenmantel. 'Iets uit de natuur, of zo.' De twee handelaren keken elkaar een seconde aan, waarna de oudste naar een bollende weekendtas naast zijn stoel greep. Hij rommelde er langdurig in, kwam weer boven de tafelrand te voorschijn, nam het gezelschap scherp op en plantte toen een grote opgezette vogel op tafel. 'Dit is wat U zoekt', sprak hij. Zijn blik duldde geen tegenspraak.

Iedereen keek naar het dier, dat daar, vastgenageld op een boomstronk onwennig onder de lamp stond. Het was onmiskenbaar een vogelachtig wezen, met een verenpak, vleugels en een snavel, alles bij elkaar ter grootte van een flinke schoothond, maar curieus van snit en met een onwaarschijnlijk gevarieerd coloriet. 'Dit is feitelijk zeer zeldzaam', zei de jongste koopman. 'Het is een goudbekfazant. Uit Lapland.'

'Een Lapse Goudbekfazant in zomerkleed', vatte zijn maat samen en hij streelde de slappe vaalgroene kam op de kop van het beest. 'Is-ie te koop?', vroeg de vrouw, nadat iedereen er even aan had gevoeld. De spieren van de twee kooplieden verstrakten zich even, hun handelsbreinen draaiden op volle toeren. 'Eigenlijk niet', zeiden ze in koor. 'Het zijn van die zeldzame dingetjes, ziet u.' Maar het pleit was al beslecht. Mevrouw wenste het monster voor de huiskamer en meneer voelde de portefeuille branden in zijn binnenzak. De koop werd gesloten, op passende wijze beklonken en het echtpaar liet zich met de aanwinst tussen zich in naar huis vervoeren. Toen het motorgeronk was verstorven barstte het cafe in gebulder uit. Het rieten dakje sidderde. De zakenlieden vertelden de achtergrond van de Lapse Goudbekfazant. Ze hadden hem de vorige dag samengesteld uit een aantal echte maar reeds lang overleden vogels, die ze bij een boer op zolder hadden aangetroffen: een mannetjesfazant, een Vlaamse Gaai, een jonge kalkoen en ik meen nog een stuk of wat kwartels.

Geloof

Niemand had schade van dit voorval. De dieren niet, die waren toch al dood, de kooplieden niet, en ook het echtpaar niet, zolang ze er maar in geloofden. Het is gemakkelijker om te bewijzen dat bepaalde dieren wel bestaan, dan dat ze niet bestaan. Dat niemand ooit een zeemeermin of een eenhoorn heeft gevangen, bewijst nog niet hun non-existentie.

Met dit probleem worstelden ook de natuuronderzoekers-en beschrijvers uit de renaissance. Zij wilden dieren beschrijven en rubriceren, maar moesten daarbij onder andere een beroep doen op autoriteiten, die wij nu zouden kwalificeren als hoogst dubieus. Een mooi voorbeeld daarvan geven de tekeningen van Anselmus de Boodt, waarvan onlangs een selectie uitgegeven is. De Boodt (1550-1632), was een in Brugge geboren patricierszoon, die zowel in de rechten als in de medicijnen was gepromoveerd. Hij werd hofarts van de grootste mecenas van Europa, keizer Rudolf II, die in Praag een onwaarschijnlijk grote en gevarieerde verzameling kunstvoorwerpen en naturalia bijeen bracht. Hij trok niet alleen tekenaars, schilders, beeldhouwers, architecten en edelsmeden naar zijn hof, maar ook astronomen, medici en botanici, zodat hier de grootste Europese kunstcollectie, gecombineerd werd met laboratoria, een sterrenwacht, botanische tuinen en een menagerie.

Anselmus de Boodt legde in Praag een grote verzameling gekleurde tekeningen aan, die hij aan zijn familie naliet. De collectie, in zijn testament omschreven als 'drie boucken met blommen, beesten ende voghelen', bevindt zich nu in particulier bezit in Belgie. Pas onlangs is daar een studie over verschenen: een royaal uitgevoerd boek met 177 uitstekend gereproduceerde platen, onderverdeeld in zoogdieren, vogels, vissen, schaaldieren, bloemen en planten. Een deel is waarschijnlijk getekend door de Delftse schilder Elias Verhulst, een ander deel door De Boodt zelf. Dit boek geeft een keuze uit het totale bestand in de albums; een volledige lijst van de honderden tekeningen is achterin opgenomen.

Complexe overgang

De gedetailleerde en in frisse kleuren uitgevoerde tekeningen maken een levendige en daardoor realistische indruk. Ze suggereren te zijn getekend naar het leven. Maar hier schuilt, om in de dierenwereld te blijven, een addertje onder het gras, of liever gezegd een brilslang. Het is verleidelijk om te denken dat in de overgang van middeleeuwen naar nieuwe tijd het realisme in een vitale mars zijn intrede deed in de natuurobservatie. Iedereen kent het polletje gras en de haas van Albrecht Durer en weet hoeveel exacter dat is dan de vele dieren die de middeleeuwse manuscripten bevolken. Maar die overgang is zeer complex geweest. Enerzijds omdat ook in middeleeuwse miniaturen nauwkeurige observaties voorkwamen, anderzijds omdat vele renaissance-tekenenaars in stijl wel realistisch werkten, maar zich voor de inhoud niet per se baseerden op directe natuurwaarnemingen. Zij konden putten uit oudere prenten en tekeningen, werkten die om en gaven er vaak een grotere levendigheid aan dan ze oorspronkelijk hadden. Zo kon het gebeuren dat slecht weergegeven dieren of planten nieuw leven werd ingeblazen en met alle onnauwkeurigheden er toch werkelijkheidsgetrouw uitzagen. De natuur was hier dus allerminst leermeesteres van de kunst en ook niet van de wetenschap.

Het kon nog verder gaan. Tekenaars, ook al waren ze te goeder trouw, konden natuurlijk ook een voorbeeld krijgen van dieren waarvan zij heilig geloofden dat ze bestonden en waarvan men nu weet dat dat niet zo is. Zo heeft Anselmus de Boodt een realistisch ogend zeepaard afgebeeld, waarop een volwassene moeiteloos een ritje kan maken. Ook komt er een draak voor. Voor de Boodt was er geen reden om aan te nemen dat de draak niet bestond. Ten eerste vermeldden enkele klassieke auteurs, autoriteiten bij uitstek, het bestaan van dergelijke dieren. Ten tweede had de Franse reiziger Pierre Belon zo'n beest zelf gezien in Egypte. In zijn in 1551 verschenen reisverslag komt hij voor als 'Ethiopische draak'. Ten derde bevond er zich een geprepareerd exemplaar in de verzameling van keizer Rudolf II zelf. Daar komt bij dat die draak er niet minder bizar uitziet dan de Dodo of walgvogel, die wel degelijk bestond. Zo werd de draak opgenomen tussen de casuaris, het gordeldier, het aardvarken en de kameel.

Voor het realiteitsgehalte van de draak in Rudolfs verzameling is een verklaring te geven. Er waren lieden die, geheel in de geest van het artificiele, manieristische klimaat in Europa, er behagen in schiepen om draken te construeren uit gedroogde roggen. Al heeft Anselmus de Boodt dat misschien geweten, dan nog kunnen gezaghebbende schrijvers, tekenaars en reizigers hem hebben gesterkt in het geloof in het bestaan van draken.

De vraag of een dier misschien niet bestaat, wordt pas actueel als het nooit meer worden waargenomen. Maar dan kan het nog altijd zijn uitgestorvan. De draak van Praag zou De Boodt aan het het denken hebben kunnen zetten wanneer het dier uit elkaar was gevallen en het zijn samenstellende delen had geopenbaard. Kennelijk is dat nooit gebeurd. En was de fabricage van deze draak vakmanschap.

Ik moet toch eens terug naar Drenthe. De albums van Anselmus de Boodt (1550-1632). Geschilderde natuurobservatie aan het hof van Rudolf II te Praag. Samengesteld door M.-C. Maselis, A. Balis en R. H. Marijnissen. Uitg. Lannoo, 214 blz. Prijs fl.135,