De behoefte aan leugens; Het verband tussen waardering voorkunst en natuurgetrouwheid

De opvatting dat de kwaliteit van een kunstwerk samenhangt met de natuurgetrouwheid, komt nog steeds voor. Shakespeare wordt geprezen omdat hij het karakter van zijn figuren zo goed wist te treffen en Dostojevski wordt bewonderd omdat hij de menselijke ziel in het algemeen zo goed weergaf. Maar klopt de opvatting 'hoe natuurgetrouwer, hoe beter' eigenlijk wel? 'Niemand vindt de beelden van Madame Tussaud of kunstbloemen mooi.' Weinigen zullen tegenspreken, dat 'natura artis magistra' zoveel zeggen wil als 'de natuur is de leermeesteres van de kunst'. Moeilijker wordt het als je er achter wilt komen wat die uitspraak eigenlijk betekent. In welk opzicht is de natuur de leermeesteres van de kunst? In zulke gevallen wil de 'context' nog wel eens helpen, zoals dat ook het geval is bij 'mens sana in corpore sano', dat bij nadere beschouwing blijkt te betekenen dat het wenselijk is om een gezonde geest in een gezond lichaam te hebben, en niet, dat als je eenmaal een gezond lichaam hebt je geest ook goede kansen maakt gezond te zijn. (Dat 'mens sana in corpore sano' behoort tot de groep citaten die voortdurend worden aangehaald als voorbeelden van verkeerd begrepen of verkeerd geciteerde kreten: het is niet 'Opium fur das Volk', maar 'Opium des Volkes', het is niet 'wie es recht eigentlich gewesen', maar 'wie es eigentlich gewesen', en de woorden 'Elementary, my dear Watson' komen bij Conan Doyle niet voor. Nieuw in deze serie is: Lenin heeft nooit geschreven dat iedere keukenmeid de staat kan leren besturen, hij schreef juist dat niet iedere keukenmeid de staat kan leren besturen.)

'Natura artis magistra' maakt op de leek de indruk het eind van een hexameter te zijn, net als 'mens sana in corpore sano'. Je hoeft er alleen maar 'Gutta cavat lapidem' of 'Arma virumque cano' of 'Non sum qualis eram' voor te zetten en je hebt een hexameter. Maar die hexameter is nergens te vinden. Hij komt in mijn weinig talrijke citatenboeken niet voor. Zoek je onder 'natura', dan vind je wel 'Natura non facit saltus', maar geen 'Natura artis magistra'. In Kruyskamps prachtige verzameling citaten achter in Van Dale ontbreekt het. Ik heb een boek in twee delen, dat duizenden citaten in vreemde talen bevat die in de negentiende-eeuwse Russische literatuur voorkomen en daar staat het ook al niet in. Je krijgt de indruk dat een van de oprichters van de Amsterdamse diergaarde die uitspraak zelf verzonnen heeft.

Rubicon

Er zijn naar mijn smaak twee 'betekenissen' of 'uitleggingen' van deze kreet die zich opdringen. De eerste is, dat de natuur wat haar schoonheid aangaat de kunst overtreft, dat de kunst in de natuur haar 'meesteres' vindt een bewering, die je in onze taal tegenkomt in de bekende dichtregel 'Het schone van natuur passeert toch alle kunst'. Je komt die opvatting ook in allerlei andere vormen tegen, en je kunt je afvragen of die opvatting juist is. Ik zou het eigenlijk niet weten. Als ik voor de keuze gesteld werd om nooit meer het gekwinkeleer van vogeltjes of nooit meer muziek te horen zou ik aarzelen met mijn antwoord. Maar in andere gevallen zou ik weer voor de kunst kiezen. Ik wil deze interpretatie van de uitspraak 'natura artis magistra' hier verder buiten beschouwing laten.

Een tweede uitleg is, dat de natuur een voorbeeld is voor de kunstenaar in die zin, dat hij moet proberen de natuur zoveel mogelijk te imiteren, dat hij iets moet maken dat zoveel mogelijk op de werkelijkheid, op de natuur, lijkt. Hoe 'natuurgetrouwer' het kunstwerk, des te beter. De beste schilder is hij, die een boom zo schildert, dat het net een echte boom lijkt. In de Oudheid werd, meen ik, van Apelles verteld, dat vogels de neiging hadden in door hem geschilderde vruchten te pikken.

Deze opvatting van 'hoe natuurgetrouwer, hoe beter' is nooit helemaal uitgestorven. In de negentiende eeuw struikel je erover. Een schilderij dat Caesar voorstelt, op het punt de Rubicon over te steken, behoort getrouwelijk, in gebaar en gelaatsuitdrukking, de gemoedstoestand van Caesar weer te geven als hij deze voor hem en voor het Romeinse rijk zo belangrijke beslissing neemt. Hoe duidelijker die gemoedstoestand wordt weergegeven, des te beter is het schilderij.

Laatst las ik nog hoe in Goethes tijd geleerden zich zorgen maakten over het feit, dat in de toen zeer hoog genoteerd staande Laokoongroep de door slangen overmeesterde figuren zwijgend met die slangen worstelen. In werkelijkheid je staat er versteld van hoe goed de mensen die dit soort redeneringen ten beste geven met de werkelijkheid bekend zijn zouden mensen die door slangen overvallen worden uit alle macht schreeuwen. Ik ben vergeten hoe men dat niet schreeuwen goedpraatte, maar men praatte het goed, zodat de beschouwer zich weer kon verlustigen in de natuurgetrouwheid waarmee die vader met zijn zoons en die slangen staat te dansen.

Zo heeft men heel lang misschien gebeurt het nog steeds, ik heb er de laatste decennia niet zo op gelet Shakespeare geprezen omdat hij het 'karakter' van zijn figuren zo voortreffelijk wist weer te geven. Ik heb daar altijd iets potsierlijks in gevonden: eerst concludeert men uit de tekst van Shakespeare tot het karakter van Hamlet andere gegevens zijn er immers niet en vervolgens prijst men Shakespeare omdat die tekst zo met dat karakter overeenkomt. Het is alsof men de sprookjesverteller prijst omdat het getal van die zeven geitjes zo precies klopt.

Niet bekend

De neiging om een verband te zien tussen de kwaliteit van een kunstwerk en zijn 'natuurgetrouwheid' is zeer sterk. Er moet een Ierse bisschop geweest zijn die Gulliver's travels een 'book full of lies' genoemd heeft. Hij had natuurlijk gelijk, maar zijn uitspraak wordt eigenlijk alleen maar aangehaald om te laten zien hoe weinig oog die bisschop had voor het waarheidsgehalte van Swifts boek.

Onder de mensen die a tort et a travers verband willen leggen tussen artistieke kwaliteit en natuurgetrouwheid spannen de marxisten wel de kroon. Mijn favoriete passage op dit gebied is het trefwoord 'Chopin' in de derde druk (1960) van de Kleine sovjet-encyclopedie. Daarin wordt Chopin 'een van de grootste vertegenwoordigers van het realisme in de muziek' genoemd.

Imitatie

Er is tegen de opvatting dat die kunst het hoogste moet worden gewaardeerd die de natuur het getrouwst navolgt wel het een en ander in te brengen. Neem de mooie geluiden in de natuur: het geluid van de koekoek, de leeuwerik. Het geluid dat je hoort als zwanen overvliegen, of ganzen. Het kabbelen van water, het ritselen van de wind in bomen, het zwijgend neervallen van sneeuw, en nog veel meer. Sommige van die geluiden zijn welhaast volmaakt te imiteren men denke aan de koekoeksklok en de apparaten die je vroeger in iedere hoorspelstudio aantrof maar het imiteren van natuurgeluiden wordt helemaal niet tot de kunst gerekend en eigenlijk nauwelijks gewaardeerd. Hoe groter de mogelijkheid is tot volmaakte imitatie, des te lager staan de resultaten van zulk een imitatie genoteerd. De kunst die zich van geluid bedient, de muziek, houdt zich helemaal niet bezig met het imiteren van geluiden uit de natuur een paar passages van Leopold Mozart en anderen uitgezonderd. Wil je met het maken van geluid een artistiek effect bereiken, dan moet je je juist heel ver van de 'natuur' verwijderen.

Iets dergelijks heb je bij driedimensionale beeldende kunst. Wat afmetingen betreft kan men hier de natuur vrij precies imiteren, maar als je dat doet krijg je de beelden van madame Tussaud of kunstbloemen of de beelden op die begraafplaats in Napels waar iedere stropdas en ieder boordeknoopje natuurgetrouw is weergegeven. Maar niemand vindt dat mooi.

Er zijn trouwens meer kunsten waarvan je moeilijk kunt zeggen dat zij enige 'natuur' imiteren: architectuur, ballet.

In de literatuur kan een overvloed van natuurgetrouwheid deprimerend werken. Zo ben ik eens blijven steken in een boek van Jan Mens. Het speelde in Amsterdam, aan het begin, geloof ik, van deze eeuw. Alles was zo natuurgetrouw beschreven dat je het duidelijk voor je zag: de haven, de scheepswerven, de winkels, de kroegen, de mensen. Je rook de teer en het bier. Ook de gemoedsbewegingen van de held klopten precies. Er was geen ontkomen aan, en verder dan een bladzij of honderd ben ik niet in het boek doorgedrongen. Terwijl ik het graag helemaal had willen lezen om er over te kunnen meepraten en omdat de auteur vroeger onze buurman was in het Betondorp.

Datzelfde had ik met Saul Bellow. Het is al weer een tijd geleden, dat ik geprobeerd heb een boek van hem te lezen. Ik geloof dat het ging over een intellectueel in New York, die zich zorgen maakt over zijn 'shrink' en over zijn ex-vrouw en over de vraag of hij het eens moet zijn met de regering van Israel. Alle mensen in dat boek leken geabonneerd te zijn op de New York Review of Books en zich uit te drukken in de taal van de ingezonden stukken en de huwelijksadvertenties in dat blad. Vergeefs hield ik mezelf voor dat in werkelijkheid zelfs modegevoelige intellectuelen in New York niet voortdurend zo praten en denken en handelen. De indruk van natuurgetrouwheid bleef overweldigend en verstikkend.

Naakt

Het schijnt dat de kunst behoefte heeft aan duidelijk gemarkeerde stukjes leugen. Neem het zesde boek van de Odyssee, dat ik met veel moeite aan het lezen ben. Bijna ieder woord moet ik opzoeken, want mijn eindexamen is meer dan een halve eeuw geleden. Nausikaa gaat met haar dienaressen naar het strand om kleren te wassen. Dan komt er opeens een smerige naakte man het is Odysseus, maar dat weten zij niet uit de struiken te voorschijn en loopt naar die meisjes toe. De dienaressen vluchten verschrikt weg, de een hierheen, de ander daarheen. Alleen Nausikaa blijft staan. Dat staanblijven moet, zoals de formalisten zouden zeggen, 'gemotiveerd' worden. Een natuurgetrouwe schrijver zou dat staanblijven hebben gemotiveerd door ons te vertellen dat Nausikaa al als klein kind bekend stond om haar vreesloosheid, of dat zij van jongsaf aan geleerd had dat zij een koningsdochter was en dat het haar daarom niet paste om voor de eerste de beste vieze zwerver op de loop te gaan. Ook zou je haar staanblijven kunnen verklaren uit haar wens om eens een keer een naakte man te zien. Maar tot mijn grote opluchting versmaadt Homerus al die natuurgetrouwe verklaringen. Hij zegt eenvoudig dat de godin Athene haar vrees had weggenomen. Dat stukje bovennatuurlijkheid geeft smaak aan de zo natuurgetrouw vertelde gebeurtenissen in de rest van het verhaal: het opladen van die kar met wasgoed, het wassen, het zwemmen van de meisjes, het balspel, het vrolijke geschreeuw waar Odysseus van wakker wordt.

Omgekeerd: ook door het inbedden van een treffend natuurgetrouw detail in een overvloed van leugens kan een schrijver soms een groot effect bereiken. In het elfde boek van de Odyssee heeft Odysseus in de onderwereld een gesprek met Achilles. Odysseus probeert hem aan te praten dat hij, Achilles, het in die onderwereld toch ook heel leuk heeft, want hij is nu een heerser over de doden. Achilles geeft dan het bekende antwoord dat de kleinste kolchozboer op aarde gelukkiger is dan een heerser in de onderwereld, of, zoals een andere dichter het formuleert:

'Der kleinste lebendige Philister Zu Stukkert am Neckar, viel glucklicher ist er Als ich, der Pelide, der grosse Held Der Schattenfurst in der Unterwelt.'

Achilles vraagt dan aan Odysseus of hij nog nieuws heeft van Neoptolemos, de zoon van Achilles. Odysseus vertelt dan dat die zoon een grote held geworden is, zowel in de raadsvergadering (alleen Nestor en ik hadden een grotere bek, zegt Odysseus heel aardig) als in de sport en in de krijg.

Dat is allemaal gelogen: er is nog nooit iemand uit de onderwereld teruggekomen. Die hele onderwereld bestaat trouwens niet. Maar dan gooit Homerus er opeens een uiterst natuurgetrouw detail tussen: als Achilles hoort dat zijn zoon het ver gebracht heeft begint hij opeens opgewonden te ijsberen (foita makra bibasa), en daarmee bereikt Homerus een geweldig effect, juist omdat die grote passen genomen worden in een soort niemandsland.

Onwaarschijnlijk

Of neem Richard Condon een veel betere schrijver dan Saul Bellow, wat geen enkele gediplomeerde criticus zal toegeven, want Condon schrijft fantastische leugenverhalen, terwijl Bellow natuurgetrouw weergeeft wat er omgaat in mensen die de New York Review of Books lezen. In Condons The ecstasy business zit de beroemde filmster Tynan Dyson te ontbijten in een hotelkamer in Hamburg. 'While he devoured the small steak, (he) read the label on the ketchup bottle carefully.'

Daarna draait hij de fles om en leest hij de achterkant. Daar staat gedrukt: 'Dyson! I Am Going to Kill You! It Will Be a Filthy Death! First I Will Take Your Face Away, Then I Am Going to Kill You! The Visible World Is No Longer a Reality, and the Unseen World is No Longer a Dream!' Dat is de tekst van het dreigement dat die filmster al maanden achtervolgt. Dit incident in die Hamburgse hotelkamer is volstrekt irreeel. Iets dergelijks kan onmogelijk in werkelijkheid plaatsvinden, want Dyson wordt belaagd door een enkele man, en die ene man kan onmogelijk die tekst op dat etiket hebben laten drukken, dat etiket op de fles hebben aangebracht en die fles ongemerkt op de ontbijttafel gezet hebben.

Maar al die fantastische en hoogst onwaarschijnlijke dingen geven een geweldige kracht aan dat ene realistische, natuurgetrouwe detail: het woordje 'carefully'. Miljoenen toeristen hebben in hotels met een alleen in die situatie voorkomende stupide aandacht de tekst bestudeerd van een suikerzakje of een placemat of een ketchup-flesje. Maar Condon is waarschijnlijk de eerste die dit verschijnsel in druk heeft vastgelegd, zoals Homerus, denk ik, de eerste schrijver is die iemand van opwinding laat ijsberen.

Het zit met het imiteren van de natuur blijkbaar erg ingewikkeld: je moet niet te veel imitatie hebben. Een acteur die in een toneelstuk Watergate de rol van Nixon speelt moet in wat hij zegt en doet een beetje op Nixon lijken. Maar als hij zich op het toneel net zo zou gedragen als Nixon zich in het Witte Huis placht te gedragen, dan zou hij, denk ik, het publiek niet boeien. Omgekeerd zouden veel dingen die het van kunst genietende publiek als 'net echt', 'natuurgetrouw', 'realistisch' ervaart een heel rare indruk op datzelfde publiek maken als ze zich aan dat publiek 'in het echt' zouden voordoen. Een man wiens lichaamsbouw redelijk verkleind precies overeenkomt met de lichaamsbouw van Michelangelo's 'David' zou, denk ik wel eens, iets monsterlijks hebben en zich in beschaafd gezelschap niet kunnen vertonen. Terwijl dat beeld in de loop der eeuwen vermoedelijk juist veel geprezen zal zijn wegens zijn natuurgetrouwheid.

De redelijkste uitleg van de spreuk 'Natura artis magistra' is misschien nog wel deze: de natuur weet zeer grote schoonheidseffecten te bereiken. Daarin is zij ons de baas. Als wij wisten hoe zij dat doet, zouden wij van haar kunnen leren. Maar wij weten niet hoe zij dat doet.