BELASTINGGELD STINKT NIET; De fiscus als stille vennoot vancriminelen

Onlangs is een belastinginspecteur op de vingers getikt die zijn deel van de buit van een inbreker tot voor de rechter wilde opeisen. Staatssecretaris Van Amelsvoort van Financien legt zich hierbij niet neer. Hij wil ook van de activiteiten van criminelen een graantje meepikken. Een kijkje in de krochten van de belastingwereld.

Toen de Romeinse Keizer Vespasianus zijn zoon Titus voor een veldtocht naar Jeruzalem moest sturen, zat hij net krap bij kas. Met de inventiviteit die heersers eigen is, vond hij snel een nieuwe belasting uit. Zijn nog ongeevenaarde vondst was een urinebelasting. Urine wordt na verloop van tijd ammoniak, een stof die men nodig had voor onder meer het ontvetten van leer. Toen Titus terugkeerde, vond hij het wat minder kies dat zijn triomf vanuit de pisbakken was gefinancierd. Zijn vader leerde hem toen de fundamentele les voor ieder belastingheffer. Hij hield hem een zak muntgeld voor de neus met de vraag goed te ruiken. Titus rook niets. Dat was precies de kern van de zaak, zo meende de keizer: Pecunia non olet ofwel Geld Stinkt Niet.

Adjunct-conservator Vrouwenfelder van het Belastingmuseum in Rotterdam vertelt dit verhaal in geuren en kleuren aan de bezoekers van zijn boeiende museum. Voorzichtigheidshalve onder voorbehoud van de historische juistheid van de keizerlijke conversatie.

De gevleugelde uitspraak heeft niets aan actualiteit verloren. Ook vandaag nog speelt de vraag hoe kritisch de belastingdienst moet zijn met het opeisen van geld waar een luchtje aan zit. Enerzijds zijn er mensen die menen dat het niet gepast is dat de schatkist meeprofiteert van de kwalijke activiteiten van afpersers en andere misdadigers. Anderzijds menen velen dat het nog minder voor de hand ligt deze onmaatschappelijke figuren feitelijk een belastingvrijdom te verlenen doordat de fiscus zich met een vies gezicht van hun buit afkeert.

Draagkracht

Deze laatste opvatting lijkt nog de meeste populariteit te genieten. Ook bij fiscalisten, die het hele probleem overigens vanuit hun eigen vakmatige denkpatroon plegen te benaderen. Daarin is een belangrijke plaats ingeruimd voor het draagkrachtprincipe. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Het vreemde met het draagkrachtprincipe is dat er binnen de fiscale wetenschap niemand meer is die volhoudt dat dit principe in onze belastingwetgeving tot zijn recht komt of zelfs maar kan komen. Een beter uitgangspunt voor belastingheffing is nog niet gevonden, dus doen we het maar met deze draagkrachtgedachte. Die redenering volgend moeten we constateren dat een succesvolle inbreker een grotere financiele draagkracht heeft dan een bijstandsmoeder en dus meer aan de schatkist moet bijdragen dan van haar wordt verlangd. Raakt de bijstandsmoeder in betere doen door een ambtenaar van de sociale dienst om te kopen, dan gaat haar belastingaanslag navenant omhoog. Maar omdat haar draagkracht wordt bepaald door haar besteedbare inkomen, mag ze de steekpenningen als aftrekpost opvoeren.'De belastingheffing is amoreel', zal iedere fiscalist ons verzekeren met hetzelfde gezicht waarmee sportmensen kunnen volhouden dat een interland niets met politiek uitstaande behoort te hebben. Volgens ons westers denken dient de fiscus zich te beperken tot het belasten van de uiteindelijke inkomsten of winsten. Hij heeft niets te maken met de manier waarop die winst is gemaakt. Net zomin mag de inspecteur er iets van zeggen als een ondernemer zo maar een mooie winst voor zichzelf (en voor de schatkist) laat schieten. In de Bondsrepubliek staat dit neutralistische uitgangspunt zelfs in de wet; in ons land is zo'n wetsregel er niet omdat het altijd als iets vanzelfsprekends is beschouwd. Maar dit fiscale heiligdom van de amoraliteit wordt vanuit een aantal richtingen bedreigd.

Steekpenningen

Een daarvan is de politiek. Daar heeft het voormalige PvdA-Kamerlid Kombrink jarenlang fanatieke pogingen gedaan om de aftrekbaarheid van steekpenningen te schrappen. Ondernemers zouden anti-maatschappelijk gedrag niet fiscaal gehonoreerd mogen zien. Maar Financien heeft deze aanvallen kunnen weerstaan, zelfs in de periode waarin Kombrink als staatssecretaris verantwoordelijk was voor de belastingen. Op ander terrein is er wel een wijziging gekomen. Aan de politieke wens om terwille van een meer effectieve criminaliteitsbestrijding de aftrekbaarheid van geldboetes te schrappen, is inmiddels gehoor gegeven.

De sterkste aanval op het principe om geblinddoekt elk profijt te belasten, komt van Vrouwe Justitia zelf. In eerste instantie in de vorm van de Europese rechter. Die bepaalde dat de fiscus over de invoer van hard drugs geen belasting mag heffen. Dat was al in het begin van de jaren tachtig. Dat druiste in tegen onze nationale fiscale mores maar als uitvloeisel van de fiscale harmonisatie moeten wij ons soms richten naar het Hof van de Europese Gemeenschap in Luxemburg. Voor de Europese eenheid moet men nationale normen opgeven. Deze lijn breidde het Europese Hof consequent uit tot BTW over de binnenlandse drugshandel.

In eerste instantie zou men denken dat het oordeel uit Luxemburg niet zo dramatisch is. De criminelen die in hard drugs handelen, behoren vast niet tot de trouwe belastingbetalers. Dat klopt wel, maar om een andere reden was de schade toch aanzienlijk omdat de overheid de belastingheffing gaandeweg was gaan gebruiken als wapen tegen met buit en al gepakte handelaren. Er bestond een bliksemsnelle samenwerking tussen de belastinginspecteur en de politie. Zodra een (vermoede) crimineel werd opgepakt, kreeg hij een voorlopige belastingaanslag aan zijn broek, precies ter grootte van het bedrag dat hij in huis had. De belastingontvanger legde vervolgens met de aanslag in de hand beslag op het aangetroffen bedrag. Het systeem ontmoette evenwel kritiek. Tegen een voorlopige aanslag kon men zich niet bij de rechter beklagen, terwijl toch is gebleken dat zulke aanslagen soms lukraak werden opgelegd. Ook gebeurde het dat onschuldigen slachtoffer werden van deze tactiek. Dat overkwam bij voorbeeld een bonafide Turkse manager die met een koffer vol geld van Schiphol naar Duitsland wilde vertrekken om daar een zakelijke transactie te beklinken. Zijn geld werd onder de dekmantel van een belastingaanslag in beslag genomen, waarna de Turk als onbemiddeld vreemdeling over de grens werd gezet. De aanslag bleek naderhand ongegrond. De Europese rechtspraak en de kritiek op dit oneigenlijk gebruik van de belastingdienst heeft ertoe bijgedragen dat nu bij de Tweede Kamer een wetsontwerp ligt om gemakkelijker langs justitiele wegen geld van criminelen in beslag te nemen. Dat dan wel met normale rechtsbescherming.

Soft drugs

Wat de strijd tegen de drugs-criminelen betreft, heeft het oordeel van het Europese Hof dus zelfs zuiverend gewerkt. Overigens beperkt de macht van dit Hof zich tot BTW en invoerrechten; de inkomstenbelasting blijft buiten schot. Bedenkelijker werd de situatie toen het Europese Hof de 'belastingvrijdom' uitbreidde tot handel die in Nederland zijn illegale karakter feitelijk goeddeels heeft verloren: de kleinhandel in soft drugs. Dat gebeurde in een procedure rond het jongerencentrum Happy Family. De huisdealer had - onder het gedogend oog van Justitie - het alleenrecht op de verkoop van soft drugs. Hoe men daar ook in andere landen van de EG over mag denken, naar Nederlandse normen is zo iemand een gewone ondernemer en geen harde crimineel. Als die 'belastingvrij' zou mogen opereren, wat zou dan de uitstraling zijn naar andere terreinen van schimmig zakendoen? Zowel de regering van Nederland als die van Duitsland en Frankrijk probeerden het Hof te bewegen in deze situatie belastingheffing toe te staan. Hun inspanning was tevergeefs. De uitspraak van het Europese Hof ontmoette in de Nederlandse pers veel kritiek. In een hoofdredactioneel commentaar in deze krant werd zij als 'strafrechtsfilosofie van de koude grond betiteld'. Alle discussies over deze zaak hadden het gevolg dat de regering vreesde: ook voor de inkomstenbelasting kwam de belastbaarheid van de economische activiteiten van criminelen weer in de belangstelling. Er zit vooral wat betreft dat begrip 'activiteiten in het economisch verkeer' een lelijk addertje onder het gras. De inkomsten van particulieren zijn alleen belast als ze zijn verkregen met 'economische activiteiten'.

Vriendendiensten en dergelijke zijn dus niet belast. De Tilburgse hoogleraar dr. J. E. A. M. van Dijck verdedigt al enige tijd de opvatting dat men inbraken en overvallen toch moeilijk als activiteiten in dit maatschappelijk ruilverkeer kan aanmerken. Wie is bestolen, heeft echt niet het idee iets geruild te hebben. Deze gedachte is nu door een belastingrechter overgenomen. Het gerechtshof in Den Bosch deed dat in een procedure die een tot viereneenhalf jaar gevangenisstraf veroordeelde roofovervaller daar voerde. De belastinginspecteur had hem belast voor zijn aandeel in de buit, groot 40.000 gulden. De man beriep zich op de hooggeleerde opvattingen van Van Dijck en won de procedure. Staatssecretaris Van Amelsvoort heeft onlangs besloten zich daarbij niet neer te leggen. Hij wil de fiscus zien als zakelijk, objectief en amoreel, en daarom gerechtigd ook immorele opbrengsten te belasten. Hij eist nu voor de Hoge Raad namens de staat zijn aandeel in de buit van de betrokken roofoverval op. De uitspraak van de hoogste belastingrechter is pas volgend jaar te verwachten.