Zoektocht naar door de wol geverfde dames

Vrijdag 20 juli sta ik al vroeg op een der perrons van het Centraal Station te Amsterdam. Wat een bedrijvigheid heerst er, vooral rugzaktoeristen. Er staat een prachtige trein, zo'n glimmende van gegolfd aluminium van de SNCF. Op het stationsbord staat 'Etoile du Nord'. Het benauwt me in deze drukte, waarin iedereen behalve ik, zich op zijn gemak schijnt te voelen. Elf jaar lang ben ik niet verder dan Haarlem of Zandvoort gekomen; deze onderneming maakt me knap nerveus.

Nog nooit heb ik in zo'n luxueuze trein gezeten. Prachtige fauteuils, mooi coupebreed tapijt, airconditioning. Aangrenzend de restauratie, met bar. Twee Amerikaanse echtparen van middelbare leeftijd komen binnen. Ik pak vast notitieboekje en balpen. Vraag me af welke overeenkomsten Antwerpen en Amsterdam hebben. Gastvrijheid natuurlijk: onder andere Portugese joden vonden in beide steden in het verre verleden reeds vrijheid en tolerantie. In 1970 was ik voor het laatst in Antwerpen. Misschien kan ik straks die buurt terugvinden waar toen zoveel echt oude vrouwen (65-plus) achter de ramen zaten. Dat was bij de Burchtwal. Toen al vroeg ik me af wie hun klanten zouden zijn en wat ze van hen verlangden, maar dorst het niet te vragen. Nu durf ik dat wel en zal voor een kort erotisch interview cash betalen.

We vertrekken. Een hele parade mensen uit de tweede klasse loopt naar de restauratiewagon. Ik haal een flesje Badoit bronwater. Het Amerikaanse echtpaar komt uit de restauratie. 'We had to pay twenty-eight guilders for three rolls with cheese and two coffee', zegt de vrouw, 'isn't that exaggerated?' Ik zie de (verpakte) langwerpige witte broodjes met kaas en de plastic kopjes cafe filtre. 'We have to pay for the nice carpet', grap ik.

Eindelijk Antwerpen-Berchem. Even raak ik in paniek als ik de rare deurkruk niet naar links krijg, de deur zit muurvast dicht. Ik hol door de coupe, de andere deur gaat gelukkig wel open. Het flitste al door mijn kop: straks zit je in Parijs zonder bagage en met te weinig geld. In no time brengt een boemeltreintje me naar Antwerpen Centraal.

Uit alle windstreken worden hier treinladingen met gelovigen aangevoerd. Ik stap uit de trein, daal een brede marmeren trap af en sta meteen in de kerk! In 1970 stond ik hier ook, vol verbazing. Een enorme kerkachtige stationshal. Een gedeelte ervan is al gerestaureerd. De oude marmeren pilaren glanzen, verse gouden randjes aan de bovenzijden. Er zijn glas-in-lood ramen, nissen, gebeeldhouwde versieringen, gesneden houtwerk, glanzend.

Op het Koningin Astridplein stinkt het enorm naar uitlaatgassen, het is ook snikheet. Daar is de De Keyserlei! Tussen terrasjes en etablissementen wandelen traag en ontspannen de voorbijgangers. Men gedraagt zich op het ingetogene af. Onder een parasol van het terras tegenover tearoom St. Moritz strijk ik neer, bestel een capuccino. Niemand op het terras verheft zijn stem; fluisteren ze? Het ontspant me wel. Uit een luidspreker brengt een Vlaamse zanger zijn smartlap tot een climax. Het is warm, wel 30 graden schat ik. Ik kijk op mijn horloge, reken af.

De mensen op de vele terrasjes zowel als de voetgangers hebben iets zorgeloos over zich, iets van Carpe Diem, waarvan ik me altijd afvraag: hoe doe je dat? Ik wandel verder. Een metro-ingang. Die was er in 1970 niet. Wat moet ik ondergronds, bovendien weet ik niet waarheen die metro me voeren zou. Ik kom op de Grote Markt. Prachtig gerestaureerde gildenhuizen, het stadhuis. Een fontein, in 't midden waarvan een ingewikkeld bronzen kunstwerk waar bovenop een naakte (bronzen) jongeling iets boven zijn hoofd houdt waaruit water stroomt.

Ik schiet een mevrouw aan en vraag haar beleefd hoe bij de Burchtgracht te komen. Ten overvloede leg ik uit waarom, vertel over de oude prostituees die daar volgens mij huizen. Ze kijkt me aan alsof ik een onzedelijk voorstel doe en loopt snel door. Even later vertelt een jong meisje me hoe ik moet lopen. Nu loop ik in de Korte Koepoortstraat, de buurt wordt steeds iets poverder. Diverse drinklokalen, triest, kaal, armoedig, apathische klandizie. Bij de stoplichten moet ik linksaf, maar zie geen steegjes.

Ik vraag een meneer waar de Burchtgracht is, hij weet het niet. Uit een winkel komt een kalende, bebrilde man. Om zijn pols een band met een groen kussentje erop waarin veel spelden steken. Hij vraagt of hij me kan helpen. Ik stel de bekende vraag. Hij legt me precies uit hoe te lopen. Of ze er nog zijn, weet hij niet. Ik kijk naar de spelden op zijn polskussentje. 'Bent u kleermaker?' 'Nee, etaleur.' Dan beland ik eindelijk in een steeg, maar de huisjes van weleer zijn verdwenen; er staan nieuwbouwhuisjes, opgetrokken in de oude stijl. Aan het eind van de steeg ontwaar ik nog wat oude krothuisjes. Vlakbij de hoek een groot raam, dat is er zeker later ingezet. Erachter staat een kleurlinge. Snel opent ze haar deur. Ze draagt iets dat op een tweedelig zwempak lijkt. In Amsterdam doen ze met minder. Ze steekt vijf vingers op, dat betekent dus 500 frs. oftewel 28 gulden. Haar van nature forse lippen heeft ze nog groter gemaakt met een fel lila lippenstift. Haar gezicht is groot, rond en enigszins plat. 'You come?' Ze toont heel wat gouden tanden.

Ik vraag waar ze vandaan komt. 'From Jamaica.'

Voelt ze zich hier, zo ver van eigen land en cultuur, prettig? Ze zegt dat ze wel terug zou willen als dat kon. 'Take care for yourself and may God bless you', zeg ik. 'Thank you', ze is werkelijk aardig.

Het eveneens donkerhuidige meisje in het aanpalend krotje gooit haar deur met een zwaai open: 'You come in, now! Come here, now!' roept ze alsof ik haar tekkel ben. Poging tot agressieve verhuur van iets dat ze niet 'los' van zichzelf kan verhuren. Ik loop door. 'You come back!' roept ze. Met de afbraak van deze laatste oude huisjes zullen ook zij hier verdwijnen. Het is een rustig straatje, vlakbij Het Steen en de Schelde. Jammer, de oude dames behoren tot het verleden. Eerlijk gezegd, zo'n jong ding kan me niet prikkelen, zo'n oude door de wol geverfde tante geeft me een tinteling verder dan die tinteling geschiedt er (in werkelijkheid) overigens niets.

Weer loop ik en hoop niet onderuit te gaan van de nare hitte. Lukraak stap ik op een tram.

Aan een oude dame die achter me zit, vraag ik waar de tramlijn eindigt. De tram stopt, twee orthodox joodse jongens stappen in. De oudste draagt een zwarte kaftan en een zwart, vierkant hoofddeksel, de jongste is bebrild, draagt een keppeltje en heeft 'slaaplokken'. Ze gaan naast elkaar zitten, zwijgend. De vrouw achter me vraagt of er in Amsterdam ook 'zulken' zijn. Ik knik een vermoeid ja.

Ze vertelt dat in Antwerpen een park is waar vooral op zondag veel joden komen. Dat park noemen ze het jodenpark. 'Als ik met mijn kleinkind daar op een bank zit, willen de joden op die bank zitten. Ze duwen net zolang tot ik eraf moet, hoe vindt ge dat nu?' Ik antwoord dat ik me zoiets niet kan voorstellen. Ze kijkt beledigd. Dan tikt ze me op de schouder, ik moet de tram uit, anders beland ik in een buitenwijk. Ik loop een kwartier en ben op de De Keyserlei. Ik ga het station binnen. Ik ga de roltrap op naar het spoor. Een blikje fris koop ik dat ik opdrink, zittend op de lange houten bank vlakbij de bumpers hier kan geen trein meer verder.

Naast me een indrukwekkend heer (ook qua postuur), een huid als van ebbehout, zonnebril, rode fez, een enorme rode pochette steekt zwierig uit het borstzakje van zijn blauwgestreepte shirt. Naast hem staat een prachtige bruinlederen Cartierkoffer met double cijferslot. Grote ringen en een indrukwekkend gouden horloge. Als hij opstaat zie ik dat het shirt tot onder zijn knieen reikt. Zijn zwarte pantalon met witte vertikale stiksels heeft een vlijmscherpe vouw.

Is hij misschien de broer van president Kaunda? Daar komt mijn trein, geen Etoile du Nord, maar een gewone.

Frans Pointl debuteerde in april 1989 met de verhalenbundel Een kip die over de soep vloog.