Trekken en sjorren aan Oostduitse economie

Politieke overwegingen hebben in het Duitse verenigingsproces tot nu toe voorrang gehad boven alle andere ook economische, om over sociale en culturele overwegingen maar te zwijgen.

In zeker zin is dat jammer, want het economische experiment dat zich nu aan de DDR voltrekt, of liever gezegd nu op de DDR wordt voltrokken, is uniek maar het wordt nauwelijks door openbare of theoretische gedachtenwisseling begeleid. Wat gebeurt er met een planeconomie naar Sovjet-model, als je er van de ene dag op de andere de valuta convertibel maakt, haar als markt opent voor bedrijven uit de markteconomie en alle verstrekking van middelen door de staat aan de bedrijven staakt? Na een maand worden de contouren van een antwoord op deze vraag pijnlijk duidelijk: dan stort die economie volledig ineen. Kennelijk zijn de resultaten van een planeconomie in het geheel niet te combineren met de eisen die de markteconomie stelt. Nog afgezien van de 'volledige werkgelegenheid' die alle planeconomische bedrijven met een uitermate lage arbeidsproduktiviteit heeft opgescheept, blijken alle eerdere investeringen van nul en generlei waarde.

Door de nadruk op output in de planeconomie is op de infrastructuur langdurig beknibbeld. Maar die infrastructuur is nu juist de belangrijkste maatstaf voor toekomstige investeerders, die de bevolking een inkomen zouden kunnen verschaffen en de binnenlandse vraag zouden kunnen vergroten. Wie gaat met zijn bedrijf daar zitten, waar hij gegarandeerd nog lange tijd niet met de rest van Duitsland kan bellen, waar geen fatsoenlijke wegen of spoorlijnen heen leiden? Maar ook de output komt niet meer mee in de veranderde omstandigheden: de produktie is te duur en in alle opzichten onaantrekkelijk. Van marketing hebben degenen die in de planeconomie zijn opgegroeid nog nooit gehoord. Ze hebben immers jarenlang gewerkt in een situatie van bijna onuitputtelijke vraag en koopkracht.

Ontslagen

De bevolking is het kind van de rekening: de ontslagen vallen niet alleen daar waar de arbeidsproduktiviteit moet worden verhoogd, of in bedrijfsafdelingen waarvan de rol is uitgespeeld. Zij vallen ook onder al diegenen die in het planbureau, in ministeries en in alle bedrijven zaten bij te houden hoe de planinstructies luidden en hoe deze werden uitgevoerd en die vervolgens deze gegevens vervalsten alvorens ze 'naar boven' door te geven.

Degenen voor wie toch nog een toekomst leek te zijn weggelegd werknemers van niet geheel zinloze of niet te zeer verouderde ondernemingen, winkeliers zien nu hun arbeidsplaats acuut bedreigd. Dit is het werkelijke schandaal van de tot nu toe gevolgde weg van Duitse vereniging, dat de politici in Oost-Berlijn, maar vooral in Bonn onder de tafel proberen te schuiven.

Men kan zich afvragen of er veel alternatieven waren. Een omwisseling van de oude Ostmark tegen de D-mark in een meer reele, lagere verhouding dan de nu gepraktizeerde 1: 1 of 2: 1 zou de bedrijven in de DDR misschien een betere uitgangspositie hebben gegeven; nu zijn ze veelal met een onverteerbare schuldenlast opgezadeld. Maar ook hier gold het primaat van de politiek: de DDR-bevolking eiste van het rijke oompje West-Duitsland een koopkrachtige D-mark voor haar spaartegoeden in DDR-mark.

Het bestaan van die spaartegoeden was een gril van de planeconomie: tegenover de geldcirculatie en koopkracht stond een geringe hoeveelheid goederen. Het rijke oompje durfde de DDR-bevolking niet te vertellen dat ze die spaartegoeden al gauw nodig zou hebben voor de dekking van de stijgende kosten van haar directe levensonderhoud (ongeveer 50 procent sinds 1 juli) en ter compensatie van haar door werkloosheid dalende inkomsten.

Politieke overwegingen hebben de DDR-economie ook weerhouden van een periode van interne sanering, alvorens de concurrentiekracht van het Westduitse bedrijfsleven erop werd losgelaten. Een voorbeeld: bedrijven die voor de DDR-economie naar het Westen exporteerden en aldus harde valuta's verdienden, moesten deze afdragen aan de overheid en kregen daarvoor kredieten in DDR-mark terug. Deze kredieten zijn nu glashard omgezet in D-markschulden. Pas toen het te laat was, de grensposten al waren weggehaald, hebben enige DDR-ministers nog een halfhartige poging gedaan door invoerrechten op Westerse waar of door teruggave van BTW aan DDR-bedrijven nog enige bescherming te bieden. Maar daarvan is niets terechtgekomen.

Taboe

Merkwaardig in het land van de 'Grundlichkeit' is dat het rijke oompje de gevolgen helemaal niet lijkt te hebben beseft, misschien niet heeft willen beseffen. Het karakter van de gedachtenwisseling over de DDR-economie is nog steeds politiek van aard, er rust een onmiskenbaar taboe op opening van zaken.

Zo zijn de enkele Oostduitse SPD-ministers die hebben geprobeerd de omvang van de tekorten bij overheid en industrie en van de huidige werkloosheid te becijferen, door hun Ost-CDU-partners en door de regering in Bonn beschuldigd van paniekzaaierij, en eigenlijk van moreel verraad aan de zaak van de Duitse eenheid. Het zakelijke bezwaar tegen hun onthullingen dat die een indicatie zouden vormen voor de toekomstige kredietbehoefte van de Duitse staat en daarmee de koers van de D-mark en de rentestand kunnen beinvloeden is nauwelijks aan de orde gekomen.

Bonn blijft inmiddels verkondigen dat de Duitse eenheid zonder verhoging van de belastingen en een vergroting van de staatsschuld gerealiseerd kan worden, en dat de kosten in essentie kunnen worden bestreden door een hogere belastingopbrengst in een situatie van economische groei. Afgezien van het door de nieuwe oliecrisis opgeroepen spookbeeld van economische recessie, vraagt men zich af hoelang dit denkbeeld nog stand kan houden.

Een belangrijke bron van inkomsten voor de Duitse eenheid zal bijvoorbeeld de 'Treuhandverwaltung' moeten zijn, een nieuwe trustmaatschappij met acht holdings, die moet proberen het DDR-bedrijfsleven te verkopen aan Westerse investeerders, en wel zodanig dat de koper een paar problematische ondernemingen op de koop toe moet nemen. De trust stelt zich bovendien nog ten doel bedrijven zonder toekomst te sluiten.

Op zich zelf is dit een merkwaardige figuur: men laat zonder enige bescherming de krachten van de markt los op de DDR-economie om pas maanden daarna over te gaan tot de reconstructie van het DDR-bedrijfsleven, met behulp van een almachtig bureaucratisch apparaat in de beste tradities van de planeconomie. De 'Treuhandanstalt' ziet zich dan ook geconfronteerd met alle traditionele problemen van de planbureaucratie. Die heeft bijvoorbeeld geen bruikbaar instrumentarium voor kostenbepaling en waardebepaling, en de 'Treuhand' zit nu met vele ordners nutteloze boekhouding op het bureau. Het schatten van waarde is geen eenvoudige zaak, zeker niet voor een centralistisch, bureaucratisch orgaan.

Verkeerswaarde

De oplossing zou zijn het vrije spel van vraag en aanbod zijn gang te laten gaan; dan gaan de bedrijven de deur uit tegen wat in het Duits zo mooi 'verkeerswaarde' wordt genoemd. Maar tot nu toe verzet de 'Treuhand' zich met hand en tand tegen de transacties die spontaan tussen West- en Oostduitse ondernemingen tot stand dreigen te komen: de gedeeltelijke overneming van Interflug door Lufthansa (niet uit belangstelling voor personeel of vliegtuigen, maar uitsluitend wegens het marktaandeel), het DDR-elektriciteitswezen (waarbij zich een monopolistisch kartel dreigt te vormen), de overneming van het voornaamste DDR-hotelbedrijf (idem). De bezwaren van de 'Treuhand' tegen deze overnemingen zijn wel duidelijk: de lekkere hapjes verdwijnen in Westduitse handen, de rest heeft het nakijken. Toch zal de Treuhand spoedig met alternatieven over de brug moeten komen. Als deze instantie inderdaad, zoals haar voornemen is, tot 1 oktober orienterend werk verricht en pas daarna met verkoop en sanering ten bate van de Bondskas begint, is de kans groot dat veel DDR-bedrijven failliet zijn, wat hun verkoopwaarde bepaald niet ten goede zal komen. Begrijpelijk is het dat in de Bondsrepubliek nu de eerste stemmen opgaan dat de Treuhand nu maar zo snel mogelijk het DDR-bedrijfsleven van de hand moet doen, opdat geinteresseerden ermee hun gang kunnen gaan, en dat het zeker niet op de weg van dit orgaan ligt zelf te proberen bedrijven te saneren of te sluiten.

Natuurlijk profiteren de Oostduitsers ervan, vooral op termijn, dat zij anders dan bij andere Oosteuropese planeconomieen door een rijke oom onder de arm worden genomen. Terwijl zij aan de verbetering van vooral hun mentale infrastructuur (arbeidszin, bereidheid tot het nemen van risico's) kunnen werken, lijken althans hun valuta en hun daarin uitgedrukte werkloosheidsuitkering van 63 procent aanzienlijk waardevaster dan de zloty of de forint, om over de roebel maar te zwijgen.

Maar of de Duitse eenheid voor een prikje mogelijk is, zoals de Westduitse regering blijft zeggen, lijkt op zijn minst de vraag. Nu al zijn er 1,1 miljoen DDR-werklozen ten laste van de Bondskas. En dan is de sanering van de ambtenaren in staatsdienst nog niet eens begonnen en zijn de eerste faillissementen die voor 30, misschien wel 50 procent van de bedrijven te verwachten zijn, nog niet eens uitgesproken. En bij de andere bedrijven wacht men met saneren netjes op instructies van boven, waar het planbureau nu 'Treuhand' heet. De kosten van de sociale voorzieningen zouden dus wel eens hoger kunnen uitvallen dan voorzien.

Kostbaar

Vooral de pretentie dat allen in Oost en West nu gelijkgerechtigde Duitsers zijn, zou wel eens duur kunnen worden. De bevolking van de DDR heeft dat bepaald niet zo opgevat dat voortaan een kwart van Duitsland bij een gelijk prijsniveau in het gehele land zou moeten leven van een salaris dat of een werkloosheidsuitkering die minder dan de helft bedraagt van wat elders in Duitsland gebruikelijk is. Het is ook de vraag hoe lang een beschaafde Westeuropese overheid zich zo'n situatie moreel kan veroorloven vooral als dat met sociale onrust of geweldsuitoefening door die overheid gepaard zou gaan.

Ergens in deze ontwikkeling zal de economische werkelijkheid dan toch weer aan het primaat van de politiek gaan morrelen. Het experiment gaat verder, een beetje meer openheid en informatie over de werkelijke gang van zaken in de DDR-economie zou geen kwaad kunnen.