Op rijpere leeftijd gaf Vondel de voorkeur aan dan

Van de ANS, de 'Algemene Nederlandse Spraakkunst', wordt gezegd dat ze te tolerant is. Alles mag, de ANS schrijft niet voor hoe het moet, de ANS beschrijft hoe het is. Dat verwijt is niet helemaal rechtvaardig, want de ANS neemt in taalzaken wel degelijk een standpunt in. Zo staat op de pagina's 666 en 667 over het gebruik van als en dan na een comparatief te lezen: 'Om de ongelijkheid van twee elementen aan te duiden na de vergrotende trap van een adjectief of bijwoord of na de woorden ander en anders, alsmede in de betekenis 'behalve' na ontkennende woorden als niemand, niets, worden de voegwoorden dan en als gebruikt. (...) In geschreven taal komt meestal dan voor; het heeft in ieder geval de voorkeur als herhaling van als erdoor voorkomen wordt (...). Het voegwoord als is in deze functie niet voor alle taalgebruikers aanvaardbaar.' In die laatste zin staat impliciet dat je beter niet meer als kunt zeggen, laat staan schrijven, als je wilt beantwoorden aan de normen van het algemeen beschaafd Nederlands. Maar voor veel mensen is dat impliciete niet voldoende: er moet expliciet een banvloek worden uitgesproken.

Ook Van Dale is niet normatief genoeg. Daarin staat een opmerking die vrijwel identiek is aan die in de ANS: 'als in plaats van dan na comparatieven, na de woorden ander, anders, niemand enz. is vooral spreektaal: hij is knapper als zijn vriend.' Drie vragen kunnen gesteld worden. Ten eerste: wat is de historisch juiste constructie: groter dan of groter als? Ten tweede: waarom spreekt een groot deel van de Nederlanders over groter als? Ten derde: hoe normatief moet een grammatica of een woordenboek zijn? Voor de beantwoording van de eerste twee vragen ben ik te rade gegaan bij het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' (WNT) dat de taal van 1500 tot 1921 beschrijft. Het besteedt bijna vier kolommen aan deze kwestie.

Oorspronkelijk kwam na de comparatief alleen dan voor, maar al in de zestiende eeuw is ook als in gebruik gekomen, dat (ik citeer het WNT, dat nog steeds in de spelling De Vries en Te Winkel schrijft) 'vooral in de volksspraak, zoozeer is doorgedrongen, dat het thans nog in de spreektaal, in Noord en Zuid, de meest gewone uitdrukking is. In de schrijftaal bleef dan zich handhaven; doch ook daar moest het veelvuldig, door den invloed der spreektaal, voor als wijken, dat in de geschriften der drie laatste eeuwen tallooze malen wordt aangetroffen.' In de Statenvertaling van 1637 komt, zo blijkt uit de Concordantie van Trommius, als ongeveer 40 maal voor en dan meer dan 500 maal. Aardig is het te zien dat Vondel in zijn vroegere gedichten nogal veel als schrijft, maar later van zijn dwaalwegen terugkwam. In de eerste druk van zijn Palamedes (1625) gebruikt hij overal als. In de verbeterde versie van 1652 is dat telkens in dan veranderd, 'behalve op enkele plaatsen, die misschien aan zijne aandacht ontsnapten', merkt het WNT fijntjes op.

Uit alles blijkt dat Vondel op rijpere leeftijd de voorkeur gaf aan dan. Zijn voorbeeld werd nagevolgd door de meeste schrijvers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Een uitzondering vormden de auteurs die in hun geschriften zoveel mogelijk de volkstaal probeerden te benaderen, Cats, schrijvers van kluchtspelen, volksdichters. Het volk zei immers als.

In het midden van de achttiende eeuw zette de grammaticus Balthazar Huydecoper zich in voor het alleenrecht van dan. Zijn pleidooi vond gehoor, constateert het WNT. 'In onze spraakkunsten en in het onderwijs bleef dan de geijkte term, die ook thans nog in de schrijftaal nagenoeg algemeen wordt gebezigd, al vindt men geen bezwaar, zich in populairen stijl het gebruik van als te veroorloven, en al zijn er enkele letterkundigen, die, zich op de volkstaal beroepende, opzettelijk als schrijven en dan vermijden.'

Vervolgens constateert het WNT dat dan en als even geschikt zijn om de betrekking van de comparatief uit te drukken. Dan geeft een opeenvolging in de tijd of in rang aan. 'Eerst komt de een, dan de ander. Zoo ook hier. A en B zijn ongelijke grootheden: A is grooter, dan volgt B. Maar ook als laat zich zuiver verklaren. A is grooter, t.w. in vergelijking met eene grootheid als B. De grootheid, zoo als die van B is, wordt tot maatstaf genomen, en grooter als B is dus elliptisch gezegd voor grooter (in vergelijking met) als B.' Betekent het feit dat dan en als beide historisch te rechtvaardigen zijn en logisch te verklaren, dat ze ook alle twee goed zijn? Allerminst, vindt het WNT. 'De spreektaal heeft ongetwijfeld hare rechten, maar zij heeft ook hare afwijkingen en hebbelijkheden, die ons niet de wet mogen stellen, wanneer zij in strijd zijn of met den goeden smaak, of met eene duidelijke en ondubbelzinnige uitdrukking der gedachte, het eerste vereischte en de hoofdvoorwaarde eener verstandige taal.' Dat brengt me, tenslotte, bij mijn derde vraag. Hoe normatief moet een grammatica of woordenboek zijn? Ik kan die vraag zeer kort beantwoorden. Ze kunnen niet normatief genoeg zijn. Mensen die voor deze soort kwesties een woordenboek of grammatica raadplegen, willen weten hoe het moet, niet wat er allemaal mogelijk is. Mensen die dat raadplegen achterwege laten, hebben niet zo'n behoefte aan taalvoorschriften, ze bepalen de taal zelf wel. Maar die vele anderen mogen door woordenboek en grammatica niet in de steek worden gelaten.