Miljoenenverliezen door economische sancties tegen Irak; Golfcrisis is een ramp voor Oost-Europa

ROTTERDAM, 14 aug. Voor de Oosteuropese landen kon de crisis in de Golf niet op een ongelukkiger moment komen: midden in de moeizame transformatie van de door crisesverschijnselen, tekorten, een hoge buitenlandse schuld en energieproblemen geplaagde economie moeten de kleine Oosteuropese landen zich aansluiten bij een boycot van Irak een land dat niet alleen een belangrijke olieleverancier van de Oosteuropeanen is, maar ook een belangrijke afnemer van Oosteuropese produkten, vooral wapens.

Voor vrijwel alle Oosteuropese landen komt de boycot neer op een ernstige tegenvaller die miljoenen, zo geen miljarden kost. Niettemin: ze hebben zich en dat geldt niet alleen voor de landen van het Warschaupact maar ook voor Joegoslavie en Albanie loyaal aangesloten bij de internationale veroordeling van de Iraakse agressie tegen en annexatie van Koeweit en bij de economische boycot: de contracten zijn bevroren en de duizenden Polen, Roemenen, Tsjechoslowaken, Bulgaren en Hongaren die zich in Koeweit en Irak bevinden proberen naar huis te gaan. In Polen worden zelfs postzendingen uit Irak geweigerd, ook als ze afkomstig zijn van Poolse afzenders. En landen als Polen en Tsjechoslowakije staakten zelfs al voor de betreffende resolutie van de Veiligheidsraad van 7 augustus de leveranties van militair materiaal aan Irak.

De economische schade wordt op diverse fronten geleden. Enerzijds krijgen de Oosteuropeanen geen Iraakse olie meer, anderzijds neemt Irak geen Oosteuropese produkten meer af, en verder hoeven de Oosteuropese landen voorlopig niet te rekenen op de terugbetaling van de Iraakse schulden. Het gaat daarbij om aanzienlijke bedragen. Irak is bijvoorbeeld Bulgarije 1,2 miljard dollar schuldig, een relatief groot bedrag als het wordt afgezet tegen de totale buitenlandse schuld van Bulgarije (10,3 miljard dollar), en bijna evenveel als Bulgarije op zijn beurt zijn grootste crediteurs, de Bondsrepubliek en Japan, schuldig is. Bij Polen staat Irak voor bijna een miljard dollar in het krijt, bij Hongarije voor 145 miljoen dollar en bij Tsjechoslowakije voor 300 miljoen dollar. Het was de bedoeling die schulden in natura door olieleveranties te laten betalen. Een belangrijk deel van de Iraakse schulden is het gevolg van wapenleveranties aan Irak in het verleden. Irak heeft tijdens de oorlog tegen Iran een belangrijk deel van zijn wapentuig uit de Sovjet-Unie, Polen, Tsjechoslowakije, Roemenie en Bulgarije betrokken. In 1989 was Tsjechoslowakije de zesde wapenleverancier van Irak. Polen leverde Irak vorig jaar voor honderd miljoen dollar, dit jaar voor veertig miljoen dollar aan wapens en ook Bulgarije was een belangrijke leverancier, tot Sofia eerder dit jaar wegens wanbetaling van verdere leveranties afzag. Om dezelfde reden beperkte overigens Tsjechoslowakije dit jaar de leveranties vooral tot onderdelen voor eerder geleverde wapens en militaire technologie.

Daarnaast zijn de Oosteuropeanen in Irak en Koeweit betrokken bij een reeks niet-militaire projecten, zoals de opbouw van de Iraakse petrochemische industrie (Polen, Tsjechoslowakije), de bouw (Joegoslavie) en irrigatie- en waterwerken (Roemenie). Alleen al in Irak werken tienduizend Joegoslaven, drieduizend Roemenen en vierduizend Polen. Koeweitse sportclubs worden getraind door Bulgaren en Polen loopt het risico een contract met een waarde van een miljard dollar voor deelname aan de aanleg van een spoorweg van Bagdad naar Koeweit te verliezen. De contacten tussen Oosteuropese bedrijven en partners in Irak gaan vaak twintig jaar of langer terug. Een bedrijf als Budimex, een van de grootste Poolse exportbedrijven, voerde in het begin van de jaren tachtig voor 80 miljoen dollar per jaar naar Irak uit; als gevolg van de Iraaks-Iraanse oorlog daalde dat jaarlijkse bedrag tot ongeveer een miljoen dollar. Juist nu het bedrijf begonnen is de banden met Irak weer aan te halen en redenen had te hopen op een vergroting van de export tot acht miljoen dollar schopt de huidige boycot die mooie plannen in de war. Ook de Oosteuropese handel met Saoedi-Arabie lijdt onder de gebeurtenissen, omdat veel van die handel via Koeweit werd afgewikkeld.

De Oosteuropese landen worden, afgezien van hun exportschade en het uitblijven van Iraakse schuldaflossingen, zwaar getroffen door het uitblijven van olieleveranties. Het moment van de blokkade kon nauwelijks ongelukkiger vallen. De Sovjet-Unie, die dit jaar al minder olie en gas is gaan leveren, verlaagt met ingang van volgend jaar de leveranties verder met dertig procent en eist bovendien betaling in goud of harde valuta. Daar komt bij dat de olieprijs net flink is verhoogd. Volgens deskundigen van het Weense Instituut voor Economische Vergelijkingen moet Bulgarije bij een olieprijs van twintig dollar per vat tachtig procent van zijn valuta-reserves aan de olie-import uitgeven; bij een prijs van 30 dollar per vat is het zelfs honderd procent van zijn reserves kwijt. Voor Tsjechoslowakije zijn die percentages zestig en negentig. In alle Oosteuropese landen wordt kwistig met energie omgesprongen maar het is voor de nieuwe regeringen niet mogelijk op korte termijn over te schakelen op een zuiniger gebruik. Uitwijkmogelijkheden ontbreken: kolen vervuilen en kerncentrales ontbreken of zijn hoogst onveilig.

Het nieuwe, onverwachte probleem is een grote complicatie in het hervormingsproces, dat toch al ten koste van zware offers en aanpassingsproblemen verloopt. De bevolking staat ook zonder die complicatie al onder zware druk. De glans van de revolutie is overal verdwenen, de vruchten blijven uit. De magische formule 'vrije markt' betekent voor miljoenen Oosteuropeanen weinig anders dan onzekerheid, werkloosheid en winkels die even leeg of nog leger zijn dan onder het socialisme. De bereidheid nog meer offers te brengen neemt duidelijk af en in sommige landen kan het extra gaatje waarmee de broekriem moet worden aangehaald net een gaatje teveel zijn.

In Polen en Bulgarije komt de economische schade zo hard aan dat zelfs wordt overwogen een beroep te doen op artikel 50 van het VN-handvest, dat bepaalt dat landen die door gemeenschappelijke en verplichte sancties in een uitzonderlijk moeilijke economische situatie komen, de Veiligheidsraad om een speciale regeling kunnen vragen. Een dergelijke oplossing is echter tijdrovend en in Warschau wordt dan ook tegelijkertijd overwogen de rijkste voorstanders van de blokkade van Irak te vragen Polen voor een deel van de verliezen te compenseren.