Magie verdwenen in Coltons beelden

De Engelse, in Amsterdam woonachtige kunstenaar Adam Colton (1957) trok een jaar of zes geleden voor het eerst de aandacht met beelden die je zou kunnen omschrijven als ruimtelijke tekeningen. Deze beelden uit gips en kalksteen roepen associaties op met architectuur: de groeven, rechthoekige uitsparingen en bundels van parallelle lijnen in de oppervlakte van de steen doen denken aan poorten, pilasters, trappen enzovoort. Vaak bestaan de beelden uit verschillende blokken die zo tegen elkaar zijn aangeschoven dat er binnenruimten ontstaan. De zachte steen is hier en daar gehavend, randen brokkelen af, de oppervlakte is poreus, het zijn kwetsbare objecten, ruineuze overblijfselen van monumenten uit een ver verleden.

Colton exposeert samen met zijn beelden altijd tekeningen zo ook nu weer op een overzicht van zijn werk in het Bonnefantemuseum te Maastricht. Het zijn een soort perspectivische projecties die een ruimtelijk effect hebben. Ze zijn even broos en kwetsbaar als de beelden: de ijle potloodlijnen of lijnen getrokken met witte tipex zijn nauwelijks zichtbaar op het papier. Deze transparante, membraanachtige constructies lijken geheel verzadigd te zijn van licht.

Dat Coltons geometrische projecties hun oorsprong hebben in organische vormen een schedel, het been van de kunstenaar is in de meeste gevallen niet te herkennen. Hij vertaalde de organische curven volgens een bepaald systeem in rechtlijnige composities. Alleen in het meest recente werk vanaf 1989 spelen krommingen en gewelfde vormen een rol, zowel in de beelden als in de tekeningen. Tegelijkertijd is zijn werk harder en contrastrijker geworden. Colton is afgestapt van de zachte kalksteen en gebruikt nu hout en gietijzer, maar het is alsof hij nog moeite heeft met deze materialen, hij kan ze niet naar zijn hand zetten, ondanks langdurig schaven en schuren. De houten 'Mojo' nr.11 is aan de buitenkant scherp en hard van vorm, terwijl de bewerking aan de binnenkant, een uitholling met een golvende lijn, hieraan geen bevredigend tegenwicht biedt of er een eenheid mee vormt. Het geldt ook voor de ijzeren staafachtige beelden die op de vloer liggen: de magie van de vroegere beelden is verdwenen, deze objecten zijn louter vorm.

Colton kon in de kalksteen sporen nalaten en het materiaal door zachte aanrakingen laten spreken, maar de recente beelden missen die uitdrukkingskracht. Ook het diffuse, verhullende dat zo'n belangrijk aspect was van zijn beelden en tekeningen is verdwenen. Het kan zijn dat deze wending in zijn werk uiteindelijk meer op zal leveren dan tot dusverre, en dus een vooruitgang zal blijken te zijn. Maar op dit moment haalt het nieuwe werk het nog lang niet bij het vroegere.