Literaire tijdschriften

Gepekelde herinnering in zoet water 'Haar strakke trui schikte zich gewillig om haar borsten en zijn gedachten.'

Zolang De Brakke Hond (Vlaams driemaandelijks tijdschrift 'met neus') zulk soort zinnen mooi blijft vinden wordt het natuurlijk niks. 'Hij had een teorietje dat vrouwen met een kleine mond beter afzogen dan vrouwen met een breed smoelwerk.'

En dan ook nog opgeschreven door iemand die zich Groucho Lenin noemt.

De Brakke Hond zit nu in zijn zevende jaargang maar heeft niet veel haast met opgroeien. Het gebruik van vieze woorden lijkt alleen al een aanbeveling te zijn voor het blad, anders is er geen verklaring te vinden voor het opnemen van de domme poezie van Ton van Heemst ('Diep/Dieper/Diepst'), of het weinig betere SM-verhaaltje 'Claire' van Franky Seys.

Wat moet Brigitte Raskin, de winnares van de AKO-prijs 1989 hiertussen? Zonder twijfel zal ze buitenproportioneel angstig de kritieken afwachten als binnenkort haar tweede roman uitkomt. De Brakke Hond heeft alvast een fragment, maar dat is te kort om er een oordeel over te kunnen vormen.

Lang, veel te lang is daarentegen het wazige verhaal 'Oneigenlijk landschap' van Frankie Lemahieu. De maatstaf van De Brakke Hond ligt te laag. Rita Demeester bijvoorbeeld kan beslist wat, maar wat moeten we met een smakeloze vondst als 'Haar schuldgevoel woekert, palmt eerst haar linkerborst in. Als die is weggesneden zoekt het een onderkomen in haar beenderen, een deskundige strategie want geen mens die zonder geraamte overeind blijft. Wat hij aan haar dood tenslotte overhoudt, is het huis en een spaarboekje.'

Het verhaal van Bart Plouvier over een zeeman die voorgoed afmonstert is boeiender, maar zo hier en daar bepaald overdadig 'Ik legde mijn gepekelde herinneringen te week in het zoet water van mijn nieuwe werkelijkheid, maar nog vaak dwaalden mijn gedachten af en ijlden ze over groenige, glazen golven achter de dronken walvis aan.'

De Brakke Hond, 7de jrg., nr.26. Zomernummer 1990. 150 blz. fl.13, -. Verdussenstraat 13, 2018 Antwerpen.

'Alles is bruikbaar'

Het literaire cahier Begane Grond van CREA, dat is de culturele organisatie van de Universiteit van Amsterdam, heeft zich voorgenomen wat strenger te zijn. 'Selectiever zijn, de norm iets verleggen, terwijl we toch een Begane Grond willen blijven.'

Voor een klein tijdschrift dat met zo veel bekendere moet concurreren in Amsterdam weet Begane Grond soms de hand te leggen op opvallend aardige poezie. Het proza ligt moeilijker; daar circuleert ook minder van. In het zomernummer valt Eugenie de Munck op, en Sjaak van der Gulik.

Hoofdmoot in dit nummer is een vraaggesprek met een van de meest opmerkelijke en intrigerende debutanten van de laatste jaren, Elma van Haren. Ze debuteerde in 1988 met De reis naar het welkom geheten, een bundel die korte tijd later gevolgd werd door Wankel. De dichteres maakt ook beeldende kunst. 'Elk spoor van romantiek ontbreekt mij', beweert Van Haren. Ze probeert nuchter, natuurlijk en niet cerebraal te werk te gaan. 'Ze moeten waarheidsgetrouw overkomen en dat kan alleen op de manier waarop de dingen je het meest na aan het hart liggen. Als je daar de rede tussen gaat zetten, dan werkt het niet. Tenminste niet voor mijn poezie.' Lang niet al haar gedichten zijn op het eerste of tweede gezicht begrijpelijk. Van Haren is zich daar heel goed van bewust ('Ik weet dat mijn associaties wat verder van mensen afliggen') en probeert verstaanbaar te blijven. Over haar springerige gebruik van verschillende registers, ook binnen een gedicht zegt ze: 'Taal heeft allerlei vormen, alles is bruikbaar, ik vind het een niet minder dan het andere. Daarom kan ik zo goed in verschillende stijlen schrijven, want ik ken de rode draad die mezelf bijeenhoudt.'

Begane Grond, Zomer 1990. 47 blz. fl.4,50. CREA, Turfdraagsterspad 17, 1012XT Amsterdam.

Kunst moet stinken

Ook klein (150 exemplaren) is het kwartaalblaadje Notervm, dat wel de ambitieuze ondertitel draagt van 'schrift voor kunst, literatuur en tijdverschijnselen'. Die laatste categorie, net de meest nieuwsgierig makende, schittert in dit eerste nummer van de vierde jaargang door afwezigheid. In de recensie-exemplaren ontbreekt ook het 'origineel kunstwerkje' dat bij de eerste vijftig van de oplage gevoegd werd, zodat alleen de literatuur overblijft. Zij wordt vertegenwoordigd door Joseph Viktor von Scheffel, Louis Ferron en Willem Bierman.

Er is iets raars aan Ferron, of beter gezegd aan zijn boek Karelische nachten dat bekroond werd met de financieel en publicitair sterke AKO-literatuurprijs. Na de uitreiking van de prijs, in mei, flakkerde heel even de belangstelling voor het boek op om direkt daarna weer tot het oude, zeer bescheiden peil terug te zakken. Karelische nachten staat dus allang niet meer op enige 'top-10' behalve in die van de AKO. Op de tweede plaats nog altijd. Dus of iedereen gaat naar een AKO-inloopwinkel om zijn Karelische nachten te kopen, of de AKO neemt het niet zo nauw bij het wekelijks publiceren van zijn top-10. 'Ik schrijf wat ik noodzakelijk vind en daarbij vraag ik me niet af of dat makkelijk leesbaar is of niet, dat interesseert me namelijk geen fluit', zegt Ferron tegen zijn interviewers van Notervm op de vraag of hij niet beter realistische romans kan schrijven in plaats van fantastische. En over de vroege roman De keisnijder van Fichtenwald: 'Toen ik het boek af had wist ik zelf niet eens meer hoe de plot, een zeer ingenieuze, in elkaar zat.' Ferron spreekt in het uitvoerig weergegeven interview over zijn bewondering voor Thomas Bernhardt, Celine, Freud, Armando ('Schoonheid is niet pluis'), Ernst Junger, (de jonge) Wagner en andere componisten. 'Kunst moet stinken', vindt de schrijver.

Redacteur Ben Metz vertaalde een kort verhaal van de vergeten maar in zijn tijd geliefde romanticus Von Scheffel en schreef twee beknopte artikelen over hem.

Notervm, juli 1990. 57 blz. fl.7,70. Boekhandel J. v.d. Bos, 1ste Middellandstraat 23, Rotterdam.