Fiscaal privilege voor Kamerleden

Wie zelf de regels opstelt, kan zich leuk bevoordelen. Dat is precies wat de Tweede-Kamerleden aan het doen zijn met de fiscale behandeling van hun onkostenvergoedingen. Deze beschuldiging uitte de Amsterdamse hoogleraar Zwemmer enkele maanden geleden.

Kamervoorzitter Deetman pareerde de kritiek door te onthullen dat er een afspraak met de 'leiding van de belastingdienst' was gemaakt om de onkostenvergoedingen van Kamerleden onbelast te laten. Een en ander heeft enkele twijfelachtige kanten. De parlementariers hanteren bij zichzelf een fiscale berekeningswijze voor de reiskosten die andere Nederlanders niet mogen hanteren. Het opmerkelijke is dat de fiscus met deze afwijkende regeling vooraf en onvoorwaardelijk akkoord is gegaan. Zwemmer acht de kans dat u of ik dat bij een belastinginspecteur voor elkaar krijgen 'volstrekt nihil'. Van een zekere bevoordeling van Kamerleden was al langer sprake. Die situatie riep trouwens al jaren scheve ogen op. Bij voorbeeld bij collega-politici. De gunstige bepalingen gelden namelijk alleen voor Kamerleden, bewindslieden en leden van het Europese parlement. Voor leden van Gedeputeerde Staten gelden dezelfde regels als voor gewone stervelingen.

Tien leden van de Gedeputeerde Staten van Zeeland hadden het voor het belastingjaar 1980 gewaagd zich fiscaal gelijk te stellen met Kamerleden. Dat kwam hen op een navordering te staan. Daarenboven legde de belastinginspecteur ieder van hen een boete op van bijna 4.000 gulden. De provinciale politici accepteerden dit niet en vochten de zaak voor de rechter uit. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel uit internationale burgerrechtelijke verdragen wensten zij fiscaal net zo te worden behandeld als de parlementariers.

Bij de rechter hadden ze met hun standpunt maar weinig succes. Het Gerechtshof in Den Haag vond dat het met de reiskosten van de provinciale politici duidelijk anders lag dan met de vaak landelijk opererende Kamerleden. Niettemin zagen de rechters geen reden de gedeputeerden te beboeten. Kort geleden bevestigde de hoogste belastingrechter, de Hoge Raad, het oordeel van het Gerechtshof.

De reiskostenregeling die de Kamer voor zichzelf heeft ontworpen, heeft nog andere eigenaardige aspecten. In de nieuwe regeling van het afgetopte reiskostenforfait worden de reisafstanden fiscaal gemeten in stappen van grofweg 10 kilometer. De landelijke politici hebben voor zichzelf iets anders bedacht: hun reisafstand wordt gemeten in stappen van tientallen kilometers mogelijk. De fiscus heeft dit volgens Deetman geaccepteerd.

Waarschijnlijk zal de bijzondere regeling beter aansluiten bij de bijzondere behoeften van Kamerleden dan de wettelijke structuur, maar er zullen ook wel andere groepen mensen zijn voor wie dat geldt. Meten met grotere stappen kan al snel voordelig zijn. Fiscale deskundigen achten het denkbaar dat nu ook anderen een dergelijke berekeningswijze kunnen hanteren. Zodra de belastingdienst namelijk als beleid heeft een bepaalde groep op een bijzondere manier te behandelen, moet hij vergelijkbare groepen op dezelfde manier behandelen.

Het reizen van de woning naar een kantoor of fabriek, is zeker vergelijkbaar met het reizen van de woning naar het Kamergebouw. Zonder twijfel zal er vroeg of laat iemand bij de rechter eisen op dezelfde wijze te worden behandeld als een Kamerlid. Als de rechter die eis honoreert, betekent dat een ernstige aantasting van het afgetopte reiskostenforfait. Op deze manier zet het parlement, dat ons met onoverzichtelijke fiscale reiskostenregelingen heeft opgezadeld, die regelingen op het spel met het nastreven van eigenbelang.