DE HOEPELROK; Toonbeeld van doelmatigheid

Het wonder voltrok zich in een achterkamer van een Amsterdams verhuurbedrijf van theaterkostuums, in een oud huis aan een der Burgwallen, tussen rekken vol historische gewaden. 'Ik raad u een Biedermeierjurk aan', zei de kostuumdame. Ze verdween tussen de rekken en kwam weer te voorschijn niet met een jurk, maar met een wolk van vederlichte stroken en ruches waarop duizenden tere bloemrankjes leken neergedwarreld. Met een zacht gevlinder vierden de strookjes hun bevrijding uit het rek. Nu moest er gepast worden. 'Houdt u de adem even in', sprak de kostuumdame, terwijl ze uit alle macht aan het ragfijne weefsel trok, 'dan kan ik u insnoeren.'

Het lukte: een voor een klikten de rughaakjes in elkaar. Het bovenlijfje voelde als een knellende dwangbuis, maar de kostuumdame lachte: 'Oh, dat went. Bij operazangeressen moeten we vaak veel meer kracht zetten voor we hun japonnen dicht hebben en die staan er dan toch vrolijk in te zingen.' We keken in de grote, goudomrande spiegel. Was dit de wolk van zoeven? De stroken hingen vreugdeloos naar beneden en hoe wijd de rok ook was, de jurk had toch iets lijzigs. 'Er moet een hoepelrok onder', besliste de dame. Even later omhulde een lichtzinnig omspansel mijn benen: een linnen onderrok waarin vijf hoepels waren genaaid die vanaf de heupen in steeds wijdere bogen om mij heen hingen. Over de hoepelrok werd de jurk gedrapeerd, die plotseling bezield leek. Bij elke beweging begon de rok wulps te deinen, de ruches en stroken die nu wijd uitstonden konden hun geluk niet op en huppelden zwierig mee. Het was of de jurk door de hoepelrok was wakker gekust. En de draagster van deze wondertooi? Zij voelde zich geen mens meer, zij was een fee, een sprookjesprinses.

De vriendin die de verkleedsessie bijwoonde, slaakte een zucht van verlangen. 'Oh', kreunde ze, 'wat elegant, waarom is de hoepelrok verdwenen, wat is er met ons gebeurd?' In de jaren voor deuitvinding van de hoepelrok (1855) droegen de vrouwen steeds zwaardere vrachten gewatteerde en gesteven onderrokken onder hun almaar uitdijende bovenrokken. De onderrokken werden verstevigd met rollen stro, gevlochten touw, riet of paardehaar, met baleinen of ijzeren strips. Er werd zelfs geexperimenteerd met opblaasbare petticoats: luchtrokken. De hoepelrok (of crinoline) was vergeleken bij al deze ingewikkelde constructies een toonbeeld van doelmatigheid: volumineus en toch licht van gewicht. Het was een simpele, wijd uitlopende rok met sleufjes waar hoepels van ijzerdraad doorheen waren gehaald. Over deze ondertent viel de wolk van zijde en tule, de bovenrok, die aan een strak lijfje was bevestigd.

Op afbeeldingen zien vrouwen in een crinoline er meestal bevallig en elegant uit: de uitstaande rok verdoezelt buikjes en het molligste bovenlijf lijkt nog slank. Toch wordt in kostuumgeschiedenisboeken over deze dracht vaak een beetje zuur of gegeneerd geschreven: de vrouw als kaasstolp, als lampekap, als theemuts of iglo, dat was toch al te bizar. Net als de zware imitatie-barok uit die tijd zou de crinoline een uiting zijn van de mateloze pronkzucht die kenmerkend was voor het Tweede Keizerrijk. Nee, de hoepelrok deugde niet.

Voorvechtsters van de vrouwenemancipatie zagen de crinoline als een kooi die de vrouw gevangen hield en aan huis kluisterde. Ze kon zich er immers nauwelijks in bewegen? (Het kan geen toeval zijn dat juist in de hoepelrokkentijd een vrouw Amalia Bloomer de eerste 'broekdracht voor dames' introduceerde. Maar de vrouwen wilden er niet aan, de 'broekdracht' raakte pas vijftig jaar later als fietskostuum en vogue). Voor mannen moet het altijd deinende kledingstuk zeker een erotische aantrekkingskracht hebben gehad, hoewel het de vrouw tegelijk iets ongenaakbaars gaf. Maar waarschijnlijk was de hoepelrok in de meeste mannenogen een ridicule modegril. Er bestaan talloze spotprenten van vrouwen die vastzitten tussen twee deurposten of door hun hoepelrok onbereikbaar zijn voor de zoenen van hun geliefde.

Toch deden de vrouwen er node afstand van: zoals nu de schoudervulling, zo bleef destijds de hoepelrok hardnekkig in de mode. In tegenstelling tot voorgaande damesmodes was het een klasseloze kledij; niet alleen rijke vrouwen hulden zich in hoepelrokken, maar alle vrouwen, tot dienst- en boerenmeisjes toe. In zijn roman Lidewijde (1868) schreef Conrad Busken Huet: 'Al onze mannen dragen een ronde hoed, al onze vrouwen een hoepelrok en men moet in onze dagen de mensen persoonlijk kennen om Rothschild van zijn kantoorbediende of keizerin Eugenie van haar modemaakster te kunnen onderscheiden.'

Als de vrouw zoverknocht was aan haar hoepelrok, is het dan wel waar dat ze zich er nauwelijks in kon bewegen, dat hij haar als in een kooi gevangen hield? Op oude gravures lijkt de hoepelrok inderdaad weleens een log gevaarte. Maar gelukkig was toen net de fotografie uitgevonden en foto's uit die tijd geven een ander beeld. In het boek Victorian and Edwardian Fashion, A Photographic Survey van Alison Gernsheim zijn de crinolinevrouwen allerminst aan huis gekluisterd. Zo is er een foto uit 1863 van een alpiniste in hoepelrok die door de sneeuw over een Zwitserse gletscher schrijdt, van een vrouwen-schietvereniging in het open veld, de geweren in de aanslag (1868), van een groepje boompje-verwisselende vrouwen (1867) en van behoepelrokte vrouwen op een winderig strand (1858). Aardappels rooien, ramen lappen, wandelen, traplopen, man of kind onder de rok verbergen, het gaat allemaal veel beter in een crinoline dan, om maar iets te noemen, in een kokerrok. Zelfs fietsen zou, met een paar goede rokbeschermers geen enkel probleem opleveren. Maar toen de fiets er eenmaal was, was de hoepelrok helaas allang verdwenen.

Die verdwijning voltrok zich niet geleidelijk, maar onverwacht en plotseling.

Eerst werd de rok, in de jaren zestig van de vorige eeuw, al wijder en wijder, tot zo'n tien a twaalf meter aan de zoom. In de rimpelruches, die de rokken extra zwier gaven, ging nog veel meer stof zitten (meestal zijde, want dat was lichter dan katoen). Misschien had de uitvinding van de naaimachine er iets mee te maken dat de rok nooit eerder zo wijd en weelderig was als toen.

Het was de schuld van de zijderups dat de hoepelrok omstreeks 1870 uiteindelijk verdween: de rupsenkweek liep ineens sterk terug en zijde werd duur. Zoals auto's kleiner worden als de benzineprijs blijft stijgen, zo schrompelden de rokken ineen toen de vraag naar zijde het aanbod oversteeg.

Voor de hoepelrokken, waarvan er in twintig jaar honderden miljoenen waren gemaakt, was plotseling geen emplooi meer. Misschien waren ze hun tijd vooruit: de volmaakte, bijna gewichtloze hoepelrok, met in- en uitschuifbare hoepels van plastic, zou pas in onze tijd gefabriceerd kunnen worden. Waar blijft de nieuwe crinoline?