De bewaarders van het bos

Zes maanden in het hart van het Colombiaanse regenwoud is een indrukwekkende ervaring. Het is moeilijk precies te zeggen wat de meeste indruk heeft nagelaten. Was het de beslotenheid, de dichtheid van het bos dat het je onmogelijk maakt meer dan 15 meter ver te kijken? De meer dan 40 meter hoge bomen? De drukkende vochtigheid? Het gigantische aantal bizar gekleurde en vaak stekende insekten? Of hoog boven je het indringende geluid van de prachtige guacamaya's (ara's)? Op de grond is het is een een donkere, wereld, waar je zelden een dier te zien krijgt. Maar de constante geluiden duiden op de aanwezigheid van vele tientallen dieren.

Of waren het de indianen met hun ongelooflijke kennis van hun omgeving, die met hetzelfde routine als waarmee wij de boodschappen in de supermarkt doen, hun dagelijkse benodigdheden uit het bos halen? Van vele vlees- en vissoorten tot rubber, nageillak en anti-roosshampoo toe (daar keek ik van op: was roos niet iets van de moderne samenleving?).

Wettelijke mogelijkheden

Colombia kent niet alleen het hoogste aantal gewelddadige doden van Zuid-Amerika, maar ook het grootste aantal vogelsoorten (ruim 1700, dat is de helft van het totale aantal op de wereld). Minder bekend is dat Colombia een zeer progressief standpunt inneemt bij de bescherming van het regenwoud. Het beschouwt de oorspronkelijke bewoners als de aangewezen beheerders daarvan en geeft de indianen de wettelijke mogelijkheden om 'hun' bos te beschermen.

Over de afgelopen 15 jaar heeft de Colombiaanse regering, onder haar verschillende presidenten, de rechten van de indianengemeenschappen steeds betrokken bij haar landhervormingen. In 1988 is president Barco's regering begonnen met het toekennen van eigendomsrechten vangrond aan de volken die van oorsprong in het regenwoud wonen. Hierbij spelen niet alleen de oude claims een rol (vaak gebaseerd op eeuwenoude verhalen), maar even belangrijk is het besef van de regering dat tot op heden alleen de indianen in staat gebleken zijn om op duurzame wijze van het bos gebruik te maken.

De regering koopt nu sinds enige jaren land op dat oorspronkelijk tot indiaans grondgebied behoorde en geeft dit terug aan de indianengemeenschappen. In Colombia is de afgelopen jaren op deze manier ruim 20 miljoen hectare (een gebied ruim vijf keer zo groot als Nederland) overgedragen aan de indianen, ongeveer tweederde hiervan na april 1988. Van het totale Colombiaanse grondgebied is nu een kwart, ca. 25 miljoen hectare, ofwel onder jurisdictie van de indianengemeenschappen geplaatst, ofwel tot nationaal park verklaard.

Resguardo

Het Colombiaanse woord voor deze nieuwe reservaten is 'resguardo'. De term 'resguardo' houdt meer in dan het apart houden van land voor de indianen; het betekent ook dat het land het collectieve bezit is van de indianengemeenschappen, en dat het niet overdraagbaar is aan niet-indianen. Het kan noch verkocht, noch vergeven worden aan niet-stamleden.

In de resguardo's geldt het recht op het geven van onderwijs in eigen taal, op een eigen systeem van sociale controle, op het toepassen van traditionele geneeswijzen en tevens het recht op het ontvangen van staatsgezondheidszorg wanneer daar behoefte aan is. Het gezag wordt toegekend aan de traditionele leiders.

Het Colombiaanse Amazone-oerwoud beslaat een gebied van zo'n 40 miljoen hectare, waar onveer 70.000 indianen wonen, verdeeld over ongeveer 50 verschillende etnische groepen. Daarnaast wonen er zo'n 500.000 'blanke' kolonisten, voornamelijk in de steden en langs de oevers van de grote rivieren.

De stammen in het noordoostelijk deel van de Amazone, langs de rivieren de Miritiparana en langs het benedenstroomse deel van de Apaporis, leven nog steeds volgens een systeem van locale economie. Dit economische systeem met als middelpunt de patrilineale grootfamilie die een gemeenschapshuis of 'maloca' bewoont, kan bestaan dankzij een duurzaam gebruik van het ecosysteem.

Deze samenleving wordt gekarakteriseerd door het gebruik van eenvoudige technieken, een werkverdeling bepaald door sexe en leeftijd. De 'yucca' (cassave) is de belangrijkste zetmeelbron, die het hele jaar door geoogst kan worden.

De economie van de indianen kan omschreven worden als een anti-markteconomie. Hierbij heeft het uitwisselen van goederen alleen waarde voor de wederkerigheid, zonder dat de voorwerpen op zich enige waarde hebben. Eventuele overschotten worden verdeeld om de band binnen de gemeenschap te versterken.

Het accumuleren van goederen wordt gezien als asociaal, omdat men elkaar de wederkerigheid onthoudt ook het niet aanvaarden van giften wordt als asociaal bestempeld. In de ogen van de indianen is iemand die teveel bezit een te beklagen persoon, omdat hij kennelijk niemand heeft waarmee hij kan delen.

Yurapari

Afhankelijk van het seizoen gebruiken de indianen verschillende delen van hun grondgebied. Elk deelgebied is zeer gevarieerd, er zijn beekjes, poelen, heldere en troebele meren, kap- en brandtuinen.

De maand april vormt de overgangsperiode tussen zomer en winter, het is een onproduktieve periode, de 'tijd van niet-eten'. Het is de tijd van de Yurupari, de rituele periode waarin men meer dan 15 dagen vast. Mei tot en met juli is de periode met hoge waterstanden, waardoor delen van het bos onder water komen te staan en veel dieren vluchten naar hoger gelegen delen, de restringas. Voor de indianen is het winter, de tijd waarin de meeste wilde vruchten rijpen. Er worden veel vruchten gegeten, zoals palmvruchten als canangucha (Mauritia flexuosa), milpeso (Jessenia bataua) en asahi (Euterpe oleacreacea). De jacht beperkt zich tot de hogere gronden, de tierra firma. Veel tijd wordt doorgebracht in de 'maloca', het familiehuis.

De maanden augustus t/m oktober vormen de overgang naar een drogere periode. In augustus wordt een klein stuk bos gekapt en de vrijgekomen grond gereed gemaakt voor de nieuwe tuinen (chagras). Het is de maand dat de krekel, kankonaifi, de beschermer van de vruchtbaarheid, uit de bomen naar beneden komt en met hem de 'energie of vruchtbaarheid'. Als compensatie voor het brengen van deze nieuwe energie neemt hij de energie weg van diegenen die recentelijk zijn overleden. Dit uitwisselen van energie vieren de indianen met grote rituelen zoals de 'Werabaja'-dans.

De laatste wilde vruchten rijpen (zoals de yeche, Micandra epraceano) en de eerste gecultiveerde vruchten komen eraan. Als de waterstand het toelaat wordt er gevist in de rivieren en kreken en 's nachts langs de rivieroevers gejaagd op 'boruga's' (Agouti paca). Dit knaagdier is zeer gewild, het wordt algemeen beschouwd als het lekkerste wild. Na een aantal droge dagen achter elkaar wordt er, rond 'salt licks', jacht gemaakt op hert en tapir. Deze periode wordt door de indianen als ongezond beschouwd, het is een tijd van voedselschaarste en veel muskieten.

De maanden van november tot en met maart worden als zomer beschouwd, de rivieren dalen tot hun laagste niveau en de gecultiveerde vruchten worden rijp zoals ananas, 'chontaduro' (Bactris gasipaes, een oranje zeer olierijke palmvrucht), 'caimo' (Pouteria caimito) en de 'uva' (Pourouma cecropiaefolia, een boomvrucht, als een kolossale druif). Er wordt in de kleine rivieren en meren gevist met fuiken en plantaardig gif ('barbasco', Phyllantus soorten) en gejaagd langs de rivieroevers en de 'salt licks'. Deze periode van overvloed wordt als gezond beschouwd. De gemeenschap wijdt zich aan het bewerken van de tuinen en aan het repareren of construeren van de 'maloca's'. Elke familie-eenheid voorziet in zijn eigen basisbehoefte. De vrouwen brengen de produkten van de tuin en de mannen brengen elke 3 a 4 dagen produkten uit het bos in. Mocht de jacht nu een wat groter dier opleveren, dan wordt dit gedeeld met de andere leden van de maloca of met nabij wonende verwanten, zonder dat men daar direct iets voor terugverwacht. Op dezelfde manier wisselt men potten, manden, e.

d. uit. Wanneer er veel of zwaar werk te doen is, zoals het kappen van een stuk bos voor het maken van nieuwe tuinen, het bouwen of herstellen van de maloca, nodigt de maloquero, de zakelijke leider van de gemeenschap, mensen van andere gemeenschappen uit om te komen helpen. Bij deze gelegenheden worden de gasten door de maloquero van voedsel en coca voorzien. Mochten de voorraden echter voortijdig uitgeput raken, dan stuurt hij de mensen weg, al is het werk nog niet af. Op deze manier kan een gemeenschap van maloca naar maloca trekken, en wordt het makkelijker om gemeenschappelijk werk te doen en om eventuele overschotten te verdelen.

Kapconcessies

Het progressieve beleid van de Colombiaanse regering bij de bescherming van het Amazoneregenbos, gecombineerd met de wijze van leven van de indianen, geeft dit deel van het regenwoud een goede kans om als eenheid te overleven. Colombia verdient dan ook alle steun van de internationale natuurbescherming, zeker daar veel van de bossen buiten het Amazone-deel bloot staan aan grote bedreigingen. Vooral de bossen in de Choco, langs de Pacifische kust; in de Sierra Nevada de Santa Marta in het noorden en grenzend aan het Amazonische laagland en de oostelijke vlaktes in de Sierra de Macarena, worden ernstig bedreigd door zowel kolonisten als door buitenlandse kapconcessies.

Peter Bunyard (1990). The Colombian Amazon. Policies for the protection of its indigenous people and their environment. I. S. B. N.: 1872931014. Martin von Hildebrand (1990). The principle elements for defining an economic model relating to the indigenous communities of North-East Amazonas (wordt gepubliceerd in 'The Ecologist'). Republic of Colombia (1990). Policy of the national government in defence of the rights of indigenous peoples and the ecological conservation of the Amazon basin.

M. van der Wal studeerde ecologie aan de Universiteit van Amsterdam.