Teylers Museum behoeft juist niet aan de weg te timmeren; Geen draagtas en gevulde koek

Het rommelt in Teylers Museum. De ruim tweehonderd jaar oude instelling aan het Spaarne is voor het eerst in haar leven uitgebreid in het nieuws. De Mososaurus kijkt niet anders uit zijn holle ogen en de zo vaak geroemde elektriseermachine vonkt niet verontwaardigd, de strijd speelt zich nog elders af. Wat is er aan de hand? Teylers Museum, voortgekomen uit de geest en het geld van de Haarlemse textielfabrikant en koopman Pieter Teyler van der Hulst, heeft behoefte aan uitbreiding. Het gebouwencomplex is in fases tot stand gekomen, zodat er achttiende- en negentiende-eeuwse elementen deel van uitmaken. Twee eeuwen ging dat goed. Een juweel van een museum, een grote schare liefhebbers, lezingen, concerten, kunstbeschouwingen en van tijd tot tijd een tentoonstelling.

Dat begon te veranderen in 1982. Het museum werd van overheidwege bevorderd tot Museum van Nationaal Belang. Dat was het natuurlijk al, maar nu kreeg het een brevet. Het museum werd een Rijksmuseum. Zachtjes aan begon er een nieuwe wind te waaien, maar wel een die allengs aanwakkerde tot een stevige bries.

De tekenen daarvan deden zich al eerder voor. In een interview in het tijdschrift Museumvisie, in december 1984, meldde de directeur, E. Ebbinge, dat tot uitgangspunten van het nieuwe beleid niet alleen het streven naar behoud van de authentieke eigenschappen van het museum behoorde, en het wegwerken van achterstanden, maar ook 'het vergroten van de toegankelijkheid' en het 'accentueren van dynamische elementen in het museumgebeuren'. Deze uitgangspunten krijgen nu gestalte. Vorig jaar wist het museum een nieuw pand te verwerven: het gebouw 'Zegelwaarden' van drukkerij Enschede. Hier zullen ruimtes komen voor de staf, voor depots en voor een restauratie-atelier. Daar is niets mee mis. Iets anders is de prijsvraag die Teylers Museum uitschreef voor nieuwbouw in de tuin. In het voorlopige programma van eisen was een grote expositiezaal opgenomen, met een multifunctioneel karakter voor wisselende tentoonstellingen, een kleine ruimte voor thematische ontsluiting van de eigen collecties, een publieksruimte om koffie te drinken en de lunch te gebruiken, een terras, een ontvangstruimte voor educatieve doeleinden, een lift en een museumwinkel. De te verwachten publiekstoeloop, zo lezen we verder, vereist een nieuwe routing en de binnentuim zal betrokken worden bij 'het museale gebeuren'. Alweer dat 'gebeuren'.'Ware vrienden'De winnaar van de prijsvraag is inmiddels aangewezen: Hubert Jan Henket. Sinds twee weken is Haarlem in rep en roer. Een comite van verontruste, zich 'de ware vrienden van Teylers' noemende actievoerders verzet zich tegen die nieuwbouwplannen en de aantasting van de tuin. De toon in hun pamfletten is agressief, maar dat is een stijlmiddel; de toon van het museum is keurig, maar doorspekt met jargon. Hierdoor dreigt een kernvraag versluierd te worden: waarom is het zo goed dat er meer mensen naar Teylers worden gelokt? Wie of wat is daar mee gediend? Het argument dat het museum anders maar elitair zou zijn, alleen toegankelijk voor de ingewijden, zoals de directeur onlangs in deze krant meedeelde gaat niet op. Er komen, omdat er meer tentoonstellingen worden gehouden, jaarlijks al meer bezoekers. Teylers is een van de bekendste musea in Nederland. Alle folders over Haarlem geven er hoog van op. Het staat ieder vrij een kaartje te kopen. Niemand wordt bij de ingang gevraagd om zijn doctorsbul, zijn boekenlijst of belastingaanslag. Al is het in dit verband merkwaardig dat de directie, met drempelverlaging zo hoog in het vaandel, onlangs de toegangsprijs heeft verhoogd.

Teylers is nu juist het museum dat niet aan de weg hoeft te timmeren. Teylers Museum is geen winkel. Teylers Museum kan niet op een lijn worden gesteld met andere culturele instellingen waar het profijtbeginsel is binnengeslopen en waar de subsidie automatisch aan het bezoekersaantal wordt gekoppeld. Het bijzondere van dit museum is dat gebouw en interieur een ondeelbaar museumobject vormen.

Het museum is zijn eigen verzameling. Het hele interieur, met fossielen, machines, stenen, schilderijen, gordijntjes, lichtval, krakende vloeren en al is een gesloten universum. Hier vindt men ruimtes, waar nog iets van een achttiende- of negentiende-eeuwse geest waart, of althans de illusie daarvan. Dergelijke ruimtes zijn er maar weinig en ze worden steeds schaarser. En al blijft die opstelling misschien intact, een nieuwe routing, meer schoolklassen, meer toeristengroepen, en de gesel van gevulde koeken en tosti's, van boekwinkeltjes met posters en draagtasjes zullen die sfeer onherroepelijk doen verdwijnen.

Grootschaligheid

Het gebouw moet onderhouden worden, de collectie moet worden beschreven. Van tijd tot tijd dient er een bescheiden, maar kwalitatief opvallende tentoonstelling te zijn, dat is het. Wat in de hele museumwereld zichtbaar is, maar bij Teylers het pijnlijkst, is de vanzelfsprekende drang tot grootschaligheid. Wie steeds maar grotere tentoonstellingen wil maken en het publiek geforceerd gaat lokken, zal blijven roepen om uitbreidingen en 'eigentijdse' aanpassingen. Het zou van werkelijk eigentijds en vooruitziend beleid getuigen, van WVC en van de gemeente Haarlem, wanneer men dat inzag en daarvan de consequentie aanvaardde.

Coffeeshops, terrassen, boekenwinkeltjes, eductieve ruimtes en videopresentaties komen er dagelijks overal op de wereld bij. Eilanden van stilte niet. Pieter Teyler heeft zijn geld nagelaten ten behoeve van kunst en wetenschap. Over consumptie en commercie rept zijn testament niet.