'Uw vrouw kennen wij eigenlijk al uit de stukjes'

De familie was net bezig zich op en rond de stoep te verzamelen toen ik, op weg naar de leeszaal, voorbij kwam wandelen. En toen ik twee uur later andermaal de gracht passeerde was zij net, in een viertal kleine tot middelgrote auto's, teruggekeerd. Pas op dat moment realiseerde ik mij dat zij natuurlijk naar de crematie was geweest, de crematie van Tiny Carmiggelt, de weduwe van de schrijver.

Het was een merkwaardig gevoel: daar stond een twaalftal volkomen vreemden, die niettemin iets vertrouwds hadden. Dank zij het oeuvre van Simon Carmiggelt, die immers graag over zijn kinderen en kleinkinderen schreef. Zij stonden onder de overlijdensadvertentie die twee dagen daarvoor in de krant had gestaan, David en Sander, IJsbrand en Vincent, door hun opa met gedetailleerde genegenheid geportretteerd vanaf het moment dat zij, op kabouterformaat, hun eerste protesthoop deden. Zoals ook mevrouw Carmiggelt, dank zij het formuleringsvermogen van haar echtgenoot, een levenslange kennis leek te zijn. Onzin, natuurlijk, zij opereerde grotendeels in de luwte, vertoonde zich zelden in het openbaar en kwam in Carmiggelts turbulentere jaren enkel en alleen in de kroeg om hem eruit te halen.

Merkwaardig dat het bericht van haar overlijden tot slechts enkele regels beperkt is gebleven. Vreemd dat zij zo'n bescheiden rol in Carmiggelts biografie speelde. Ik ken twee boekjes die zijn leven in kaart proberen te brengen. In beide boekjes komt zij er bepaald bekaaid af.

In het eerste boekje wordt verteld dat zij, voor haar huwelijk in 1939, enige tijd als redactrice aan Het Nieuwe Modeblad te Utrecht verbonden is geweest. Het tweede boekje onthult dat zij eens de uitspraak 'Wat moet het zijn getrouwd te zijn met zo'n man!' boven het echtelijk bed heeft gehangen. De mededeling staat op dezelfde bladzijde als de veelgeciteerde passage uit zijn werk over die dame die met een stem als roze toiletpapier zei: 'Uw vrouw kennen wij eigenlijk al uit de stukjes.'

Wat Carmiggelt als pure onzin ervoer: 'Want je zegt toch ook niet tegen Shakespeare: 'Wat hoor ik, heeft uw oom uw pa vergiftigd?' alleen omdat het in Hamlet staat?' Dat is op zichzelf een diepe waarheid. Als de literatuur letterlijk zou moeten worden genomen, dan durfde geen auteur meer achter zijn schrijfmachine plaats te nemen. Carmiggelt vertelde eens dat hij zijn vrouw met opzet de snibbigheden en geestigheden in de mond legde, met als negatief gevolg dat de lezers in haar een soort Xantippe veronderstelden. 'En als zij mijn vrouw ontmoeten krijgt ze vaak van hen te horen: 'Eigenlijk valt u best mee hoor, mevrouw Carmiggelt. Wij hadden onsu helemaal anders voorgesteld.' Dat heb je met mijn soort schrijverij.' Mij leek zij, oordelend uit mijn leunstoel, het tegendeel van een Xantippe, hoogstens een corrigerende factor in des schrijvers 'niet tot in de puntjes becijferde levenstrant'. En als de echtelijke conversatie iets stekeligs had, sprak uit elk gewisseld woord verzonnen of niet verzonnen, dat doet er niet toe de grootst mogelijke wederzijdse genegenheid.

De eerste reis van het aanstaande echtpaar voerde naar Italie. Daar staat, in Pisa, een enigszins scheefgezakte toren die je, als toerist, geacht wordt te beklimmen. 'Wil je erop, of zullen we in dit cafe gaan zitten?' vroeg hij. Zij koos voor het cafe waar gezamenlijk een fraaie fles werd gedronken. 'Toen begreep ik dat we voor elkaar bestemd waren.'

Ik durf er vergelijkbaar gif op in te nemen dat dit verhaal tot in het kleinste letterteken authentiek is.

Zij was van huis uit een meisje-De Goey, een typisch katholieke naam zodat hij haar wel eens jennend 'die Paus van jou' onder de neus heeft gewreven. 'Ach, barst jij, 'riep ze dan. 'Ik heb na mijn achttiende geen voet meer in de kerk gezet en ik ben met biechten opgehouden zodra ik iets te biechten had'. Wat weten wij nog meer van mevrouw Carmiggelt? Dat zij een gezonde slaapster was, met de zo getuigde haar echtgenoot merkwaardige gewoonte in de halfslaap veel fruit te nuttigen. 'Ze zet een enorm bord voor consumptie gereedgemaakt ooft naast haar bed en dat bord is 's ochtends leeg.' Eens legde hij om drie uur 's nachts, zo lees ik in een der vroege bundels, de laatste hand aan het eerste hoofdstuk van een kloeke roman over een man die in allerlei dreinerige problemen dreigde te geraken. 'Mijn vrouw sliep al, maar ik begon aan haar te schudden, teneinde het hoofdstuk te kunnen voorlezen. Dat doe ik wel vaker als ik 's nachts iets heb geschreven. Toen ik haar laatst een keer wakker maakte, opende zij vakerig de ogen en zei: 'Aardig hoor!' En ik had nog niets voorgelezen... 'Zodat het dus mede aan Tiny Carmiggelt-De Goey te danken is dat haar echtgenoot godlof geen 'gefrustreerde romannensmid' is geworden en zijn leven lang zijn sierlijke pirouettes op de korte baan is blijven draaien.

Zo schemerde mevrouw Carmiggelt meer dan veertig jaar door tal van zijn teksten heen. Het is gek: het leven en denken van vrouwen-van-grote-mannen als Mieke Vestdijk en Ria Lubbers heeft voor ons geen geheimen, al was het alleen al door de afstotelijke hoeveelheid vraaggesprekken die zij hebben gegeven. Een vraaggesprek met mevrouw Carmiggelt bestaat bij mijn weten niet. Zij weigerde. De weetgierige redactrices der damesbladen kwamen haar huis niet in. 'Wat moet ik zeggen? Ik ga toch niet echt vertellen wat het betekent met jou te leven?' zei zij tegen haar man. 'Natuurlijk niet, 'antwoordde hij. 'Dat zou tactloos zijn. En ruineus voor mijn imago.' In Het Parool van 14 september 1961 stond het veertienregelig bericht waarin werd medegedeeld dat Tiny Carmiggelt de jaarlijks uit te keren Tien Rode Rozen waren toegekend. Het leven aan de zijde van zo'n populaire Nederlander moet immers soms 'een beetje aan de moeilijke kant' zijn geweest. Dat was ongetwijfeld een publicitaire geste die zij heeft gewaardeerd.'Tiny was dol op bloemen', stond bijna dertig jaar later in de overlijdensadvertentie. Ik weet, zonder enige schijn van bewijs, dat zij de aardigste vrouw, moeder en grootmoeder van de wereld is geweest en David en Sander, IJsbrand en Vincent hebben er ongetwijfeld voor gezorgd dat haar laatste gang door tien maal tien maal tien Rode Rozen is opgeluisterd.