Ongeduld

'I must confess that sometimes, coming home after dark, I have taken a hand-candle to inspect some special favourite.' Aldus Mrs C. W. Earle in haar uit 1897 daterende merkwaardige boek Pot-Pourri from a Surrey Garden. Vroeger, toen ik zelf nog geen tuin had, zou ik misschien niet begrepen hebben waar deze uitspraak op sloeg. Nu weet ik meteen waar het over gaat: het ongeduld, alleen bekend aan tuiniers, na een gedwongen afwezigheid; de haastige inspectie, de verrukking (of de wanhoop - maar dat is een ander verhaal). Het is mij nog onlangs overkomen.

Ik had zaden geplant. Nu was mijn voorafgaande ervaring met kiemende zaden beperkt tot vloeipapier en oude washandjes met mosterd en sterrekers; het leek mij daarom beter mijn eerste proefnemingen te beperken tot een sterke eenjarige plant, waar niet meer benodigdheden aan te pas kwamen dan een klein plekje grond of gewoon een bloempot, en verder alleen maar geduld. Toch was het een aangenaam vertrouwde ervaring de zaailingen net zo dankbaar uit het bloembed te zien verrijzen als vroeger de sterrekers uit hun washandjes.

Mosterd en sterrekers... natuurlijk was dat precies het verkeerde voorbeeld. Niet lang daarna las ik het hoofdstuk van E. H. Jenkins over het zaaien van zaad, in Gertrude Jekylls Annuals and Biennials. 'Seeds sown after the manner of mustard and cress are hampered from the very moment they appear, 'waarschuwt Jenkins, en vermaant dan met de toon van een vermoeide schoolmeester: 'Despite the fact that the injunction 'sow thinly' has been reiterated a thousand-and-one times, the opposite extreme is still a commonplace with gardener and amateur alike.' En toch weet ik niet of ik 't beter zou hebben gedaan als ik Mr Jenkins had gelezen voor ik gezaaid had; ik vrees eigenlijk dat zelfs zijn geheven vinger mij niet had kunnen weerhouden er toch nog wat extra zaad bij te doen. Instinctief; uit gulheid, 'je weet nooit'. Ik denk dat beginners tegenover het hele proces van zaaien en kiemen beheersd worden door een zo diep pessimisme dat er geen enkel advies tegen is opgewassen, zelfs niet van Mr Jenkins.

Het moet gezegd dat er een zeer lange periode, waarin ogenschijnlijk niets gebeurt, voorafgaat aan het inzicht dat het er te veel zijn. Veel te veel. Daar staan ze, in stompzinnige rijen - bedoeld om ze te kunnen onderscheiden van onkruid - elkaar omverlopend en met de ellebogen duwend als Fransen in de rij voor een bioscoop. Van de Matthiola bicornis, waarover dadelijk meer, waren er genoeg om Kew Gardens mee vol te planten.' Je moet ze uitdunnen, 'zei mijn moeder toen ze op bezoek kwam. Maar hoe kan je dat voor je geweten verantwoorden? Na al die moeite? Al die kleine plantjes die zo hun best hebben gedaan? Wie kan dan wreed genoeg zijn om de helft maar eens willekeurig uit te moorden? Want er is geen een tweede kans, tegen overplanting kunnen ze blijkbaar niet.

Ten slotte, overtuigd door de boeken en onverstaanbaar mompelend over de verspilling in de Natuur, dwong ik mijzelf er een paar tussenuit te halen. Niet genoeg natuurlijk, zodat het later nog eens moest. Toen gingen er weer een paar eeuwigheden voorbij, tot het volgende incident, zijnde het vlak na elkaar sneuvelen van alle zaailingen van de Lavatera trimestris. Allah geeft, Allah neemt, laten we hopen dat Allah weet wat hij doet.

Daarna leek eindelijk verder alles te zijn zoals 't moest, afgezien van een lichte neiging van de jonge planten om languit te gaan liggen. Hoewel ik Nigeilla damascena (Juffertje in 't groen, Love-in-a-mist) of Matthiola bicornis (Night-scented Stock) nooit ergens anders had gezien dan in een boek had ik een sterk vermoeden dat 't niet zo hoorde, maar ze hadden tenminste allemaal knoppen. Toen kwam er opeens een hittegolf en de bloembedden in onze tuin werden zo droog als maar kan. En op dat kritieke moment gingen we tien dagen weg.

Nooit kwam een vakantie op een ongelegener tijdstip. Verantwoordelijk te zijn voor het hele proces, het met zoveel zorg te hebben gevolgd, en dan de apotheose te missen, dat was bijna ondragelijk. De planten waren in dat stadium bijna mythische objecten geworden, de Nigeilla damascena door de associatie met Gertrude Jekyll en de Matthiola bicornis door Vita Sackville-Wests beschrijving. 'That small, dim-coloured thing', noemt zij het. 'I have just sown half an ounce of it, which cost me no more than 1s.3d., all along the pathway at the foot of a yew hedge, and now look forward to some warm evening when the pale barn-owl is ranging over the orchard and the strong scent of the little stock surprises me as I go.' Naarmate de datum van onze terugkeer naderbij kwam verlangde ik steeds heviger naar Mrs Earle's moment exquis. Gelukkig waren er geen 'hand-candles' nodig; bagage afwerpend en over katten struikelend stoven we door het huis de tuin in: en ja, daar stonden ze, een beetje verwelkt, maar bedekt met bloemen. Het had iets van een wonder, de dagen van afwezigheid vielen in het niets, of ze nooit hadden bestaan. De droom van de tuinier ging in vervulling: je draait je om en daar is het; de versnelling van de tijd.