JAGUARS

Verscholen in het bergland van de Mexicaanse staat Guerrero ligt het dorp Acatlan. Elk voorjaar vinden daar tijdens een festival felle vuistgevechten plaats tussen jonge mannen in jaguarcostuums, met bokshandschoenen aan en een lederen helm in de vorm van een jaguarkop op het hoofd, waarbij bloed moet vloeien. Het idee achter dit ritueel is, dat zij elkaar tot bloedens toe moeten verwonden, omdat anders de jaguar-god die hoog in de bergen woont zijn bloed niet in de vorm van regen zal vergieten om de gewassen op de velden te laten gedijen.

Volgens de archeoloog en antropoloog Saunders gaat het hier om een ritueel, waarin noties over de jaguar een rol spelen, die in de kern al voorkwamen in het rijk der Olmeken, dat tussen 1250 en 400 voor Christus zijn op- en neergang beleefde, en vervolgens taai zijn blijven voortbestaan in het denken van o.a. de Maya's, Tolteken en Azteken, wier rijken daarna ontstonden. Een bewijs voor de juistheid van deze visie acht hij o.m. het voorkomen van een vorst op een jaguartroon en een figuur in een jaguarvel op Olmeekse wandschilderingen in grotten nabij Acatlan. Van een dergelijke eeuwenlange continuiteit in beeldvorming zou ook sprake zijn in een andere Latijnsamerikaanse landstreek en wel de Peruaanse. Daar duiken voorstellingen van katachtigen, i.c. de jaguar, voor het eerst op op de overblijfselen van de zogenaamde Chavin cultuur, die bloeide tussen 850 en 400 voor Christus, en treft men ze vervolgens rijkelijk aan op aardewerk, monumenten en weefsels van daarop volgende culturen, o.a. die der Inca's.

In zijn fraai verluchte boek schetst Saunders en detail van wat voor aard de voorstellingen in de verschillende gebieden en culturen precies waren en hoe ze weliswaar van karakter veranderden maar in principe tot op heden toch dezelfde bleven. Behalve dat biedt hij een informatief overzicht van de wijze waarop allerlei archeologen door toevallige ontdekkingen en stelselmatige opgravingen tot een dieper inzicht in met name de vroegste PreColumbiaanse culturen zijn gekomen. Het meest fascinerende in zijn boek zijn echter de gedeelten, waarin hij zich verdiept in de kwestie, waarom de jaguar zo lang en zo nadrukkelijk het denken van verschillende bevolkingen her en der in Latijns Amerika heeft gedomineerd. Op grond van de aanname, dat de Olmeekse en Chavin cultuur zich ontwikkeld moeten hebben uit een jagers- en verzamelaarscultuur, meent Saunders het antwoord daarop gedeeltelijk te kunnen afleiden uit studies van antropologen over contemporaine Indiaanse jagers en verzamelaars in het Amazonegebied, een aanpak waarover valt te twisten.

Als de laatsten over belangrijke figuren in hun samenleving denken, zoals sjamanen, doen ze dat dikwijls met behulp van de jaguar, het roofdier zonder evenknie in de hen omringende natuurlijke omgeving. Sjamanen worden niet alleen vergeleken met jaguars, maar onder invloed van narcotica wanen ze zichzelf ook vaak een soort bovennatuurlijke jaguars. Volgens Saunders was dat millenia terug ook al het geval en zijn met name de precolumbiaanse bevolkingen, die zich aan het stadium van jagen en verzamelen wisten te ontworstelen, zich steeds van deze aan de junglewereld ontleende symboliek blijven bedienen bij hun beeldvorming over machtige lieden, zoals priesters, vorsten en krijgers. Hoewel zijn boek bol staat van de speculaties - het wemelt van uitdrukkingen als 'could have' en 'would have' -, is het niettemin leerzaam en stimulerend. Het zet eens te meer aan tot piekeren over de rol die dieren in het denken van mensen over mensen spelen, een onderwerp waarover Levi-Strauss zulke prachtige dingen heeft geschreven. Er is echter geen jaguar zo bont, of er is wel een vlekje aan.

Zo is het verbazingwekkend, dat Saunders totaal niet verwijst naar hetgeen de Franse antropoloog over dat roofdier in zijn vierdelige werk over de mythologie der Noord- en Zuidamerikaanse Indianen te berde heeft gebracht. Daardoor hadden zijn reflecties over de reflecterende ogen van de jaguar, op maskers vaak door spiegeltjes voorgesteld, meer diepte kunnen krijgen. Trouwens Saunders' verwijzingen zijn over het algemeen niet om over naar huis te schrijven; aan bronvermelding bij citaten doet hij niet. Tenslotte valt te betreuren, dat hij zijn studie over de jaguarsymboliek in precolumbiaans Amerika niet heeft afgesloten met opmerkingen over de betekenis, die zijn aanpak en bevindingen voor verder onderzoek naar soortgelijke diersymboliek (b.v. die van de leeuw, tijger en wolf) elders ter wereld zouden kunnen hebben. Of hij was aan het eind van zijn verbeeldingskracht of hij heeft die niet nog verder willen aanwenden dan zijn onderwerp reeds van hem vergde.