HONGKONG, WACHTEND OP 1997

Na 1 juli 1997 zal Hongkong weer bij China horen. De overdracht van de Britse kolonie na honderdvijftig jaar hangt de bevolking als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Hoe zal de communistische Volksrepubliek met dit kapitalistische erfstuk, dat draait op een laissezfaire economie, omgaan? China oefent met dit probleem al sinds 1984, toen de vier zogenaamde Special Economic Zones en veertien kuststeden waar een soort semikapitalisme heerst, werden aangewezen.

De stad Shenzhen is een dergelijke Special Economic Zone (SEZ), die Peking heeft opengesteld voor internationale handel en buitenlandse investeerders. Ten tijde van de onderhandelingen met Groot-Brittannie over de overdracht van Hongkong heeft Deng Xiaoping een dergelijke constructie van 'een land, twee systemen' altijd voor de kolonie in gedachten gehad. In de Chinese diplomatie echter zijn 'woorden van elastiek', zoals een Amerikaanse sinoloog het eens uitdrukte. Hoe meer jaren verstrijken na de ondertekening in 1984, hoe meer rek er in de termen uit de Brits-Chinese overeenkomst lijkt te zitten. De grote onzekere factor is in hoeverre de status van 'Special Administrative Region' (SAR) die Hongkong gedurende vijftig jaar na 1997 zal hebben, echt gewaarborgd zal zijn. De bloedige onderdrukking van de opstand op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking vorig jaar juni heeft de angst voor '1997' en het onvoorspelbare Chinese regime extra versterkt. Men zoekt zijn heil al elders (iedere week verlaten gemiddeld duizend jonge carrieremakers Hongkong) of probeert een buitenlandse nationaliteit te krijgen. De regering-Thatcher wil aan niet meer dan vijftigduizend Hongkong-Chinezen een Brits paspoort toekennen. Groot-Brittannie worstelt met haar laatste koloniale verantwoordelijkheid. Maar wat voor een produkt laat ze achter?

Slavenhok

Jan Morris, die al verscheidene boeken over kolonien van het British Empire heeft geschreven, verzucht dat de stad soms een wrede parodie op zichzelf lijkt, dat het 'all too much' is. Op het eiland, ingelijfd bij het Engelse rijk om als toegangshaven tot het Chinese keizerrijk te dienen, is een abnormale stad ontstaan, die zich niet gemakkelijk laat karakteriseren. Dat wordt nog eens bevestigd door het boek van Kevin Rafferty. Zijn boek is nog geen jaar na de 'on-the-spot' studie van Morris bij dezelfde uitgever verschenen. Ondanks het 'voordeel' dat de Britse journalist het neerslaan van de opstand van 4 juni heeft kunnen opnemen, is zijn boek niet actueler dan dat van Morris. Het is wel een grondige(re) studie van het economische en financiele klimaat in Hongkong.

Hongkong is bekend geworden als een gigantisch slavenhok, waar goedkope arbeidskrachten imitatieprullen produceren. Tijdens de communistische Chinese Revolutie in 1949 vluchtten veel zakenlieden naar het eiland voor de kust, hoewel in Hongkong zelf werd gevreesd dat Mao's troepen het 'ongelijke' verdrag met de Britten uit 1841 recht zouden zetten en Hongkong weer bij China zouden inlijven. Dat gebeurde niet, maar kort daarop brak de Koreaanse oorlog uit en werd een handelsboycot op China door de Westerse landen van de Verenigde Naties afgekondigd. De (economische) catastrofe voor Hongkong, dat te kampen had met enorme problemen op het gebied van huisvesting, voedsel en kleding door de snelle bevolkingsaanwas (van 1.8 miljoen in '49 tot 2.5 in '51) leek onafwendbaar. De naderende ramp bleek echter een 'blessing in disguise': er werden kapitalen verdiend aande illegale handel met China. De illusie dat je er van de ene op de andere dag rijk kunt worden, houdt ook nu nog de miljoenen arme sloebers op de been. De nieuwjaarswens in Hongkong luidt: 'Respectfully hope you get rich.' De onderlinge afhankelijkheid van China en Hongkong is nog steeds groot. Aan het eind van de jaren tachtig was Hongkong China's grootste handelspartner, ongeveer een kwart van China's export vloeide naar Hongkong. In 1988 bedroeg de handel tussen Hongkong en China dertig miljard dollar. Sinds de gebeurtenissen in juni vorig jaar begint Hongkong pas te beseffen dat de strakker wordende banden met China wel eens verstikkend zouden kunnen worden. Achtennegentig procent van de 5,8 miljoen inwoners is Chinees, het Britse aandeel is 0,03 procent. In Hongkong begon zich pas de afgelopen decennia een middenklasse, geboren en getogen in de kolonie, te ontwikkelen. Deze zou de stad een zeker sociaal evenwicht kunnen geven, maar behalve het feit dat de komst van een volgende overheerser waarschijnlijk een streep door deze ontwikkeling zal trekken, heeft de Hongkong-Chinees nog geen politiek bewustzijn. Het oordeel van een Britse waarnemer in 1985 luidde dat de bevolking in Hongkong te naief en te onvolwassen is. 'Ze hebben zoveel tijd gespendeerd aan geld verdienen dat ze geen notie van politiek hebben.'

De Hongkong-Chinezen verwijten op hun beurt het Britse bestuur dat het consequent heeft geweigerd politieke macht af te staan aan het volk. Pas in 1985, na het verdrag, werden er verkiezingen gehouden, waarbij officieel Hongkong-Chinezen gekozen konden worden. De Britten waren en zijn nog in de meerderheid in de bestuurlijke organen, de k Legislative Council en Executive Council, het enige soort parlement dat Hongkong ooit gekend heeft.

Rafferty en Morris zijn het eens over de moeilijkheidsgraad van de taak waarvoor de huidige gouverneur van Hongkong, sir David Wilson, zich geplaatst ziet. Hij moet een zelfstandig Hongkong, geregeerd door Hongkong-Chinezen, achterlaten. Moeilijk, want het vertrouwen in Engeland is verloren en de politieke invloed van China neemt toe (het persbureau Nieuw China functioneert als een soort schaduwregering in Hongkong). Bewondering is wat uit zowel het boek van Morris als dat van Rafferty spreekt. Deze politieke speelbal, overbevolkt met workaholics, fascineert hen en is onontkoombaar. Geen van beide auteurs kunnen mij de reden daarvoor duidelijk maken. Rafferty drukt zijn bewondering voor Hongkong uit in de overtreffende trap, nergens uitleggend waarom hij zo lovend is. Morris benadert de stad meer als toeschouwer (het gekletter van Mah-jong stenen is nog steeds alledaagser dan de fluittonen van elektronische spelletjes), wat een relativerend effect heeft en de lezer helpt zich een beeld te vormen.

Misschien is de enige manier om het fenomeen Hongkong te leren begrijpen, er heen gaan. Wie er op 1 juli 1997 bij wil zijn, kan voor 1997 dollar een kamer reserveren om de laatste nacht in een koloniaal Hongkong door te brengen. Jan Morris laat weten al besproken te hebben.