Geleidelijkheid vijand van Oost-Europa

In de herfst van 1989, nog maar enkele maanden geleden, was iedereen er zeker van dat de eenwording van Duitsland jaren zou duren. Tegelijkertijd is de algemeen gangbare opvatting dat liquidatie van de stalinistische economieen van Centraal-Europa vele jaren zal duren.

In werkelijkheid gaan de veranderingen bliksemsnel en kunnen zij niet vertraagd of gestopt worden. Volkswagen verwacht tegen het jaar 1995 250.000 Polo's te maken in een fabriek in Zwickau in Oost-Duitsland, die vorig jaar 50.000 kleine, dure en eeuwig slecht functionerende Trabanten afleverde. Maar wat gaat deze fabriek gedurende deze komende vijf jaar produceren? Er kan geen enkele Trabant meer worden verkocht nu de Oostduitsers voor minder geld grotere en veel betere Fords, Volkswagens, Opels en Fiats van Westerse makelij kunnen kopen.

De in Centraal-Europa gefabriceerde textiel, apparatuur, speelgoed, handgereedschap, levensmiddelen en schoeisel zijn eveneens allemaal onverkoopbaar geworden en liggen niet meer op de planken in de winkels in Berlijn, Boedapest en Praag. En zelfs de meest overdadige regeringssubsidie zou een Westerse fabrikant niet kunnen bewegen het zware en pokdalige plaatijzer dat de hoogovens en staalfabrieken in Centraal-Europa afleveren, voor de casco's van zijn auto's te gebruiken.

Wil Centraal-Europa weer een beetje welvaart krijgen, dan moeten de industrieen in minder dan geen tijd produktief en concurrerend worden. Een vereiste hiervoor is dat er wordt gesnoeid in de industriele werkgelegenheid en wel drastischer dan ooit tevoren gebeurde, zelfs bij een zware crisis.

Een snelle economische omwenteling zal de grootste prioriteit van Centraal-Europa moeten zijn. Zonder deze omwenteling zal er noch sociale noch politieke stabiliteit komen. Maar de fragiele democratieen in dit gebied, met hun enorme sociale en politieke spanningen, zouden geen voortdurende massale werkloosheid aankunnen. Zij hebben iets geheel nieuws nodig: drastische sanering van banen gepaard met werkloosheidsuitkering of op zijn minst financiele bijstand. Dit is de uitdaging van de omwenteling van Centraal-Europa.

En het is niet alleen de welvaart en stabiliteit van Centraal-Europa die op het spel staat, maar ook die van West-Europa, en bovenal van West-Duitsland. Een omwenteling geeft uitzicht op een lange door investeringen veroorzaakte economische bloei die Europa de economische leider van de wereld zou maken.

Maar een mislukking om de economie van Centraal-Europa een gedaanteverwisseling te doen ondergaan, en wel snel, zou zeker een massale uittocht van wanhopige mensen uit het Oostblok in gang zetten. En als langdurige massale werkloosheid de prijs zou moeten zijn voor de ommekeer dan zou het dezelfde reactie oproepen. 'Ik ben optimistisch', zei een Westduitse uitgever toen hij me vertelde dat hij een aantal Oostduitse kranten had opgekocht. 'Maar het is blufpoker met de grootste inzetten aller tijden.' Om 250.000 auto's per jaar te produceren in Zwickau verwacht Volkswagen niet meer mensen in dienst te nemen dan er in diezelfde fabriek werkten om 50.000 Trabanten te maken. Met andere woorden vier van de vijf mensen die aan de Trabant werkten hadden nooit op de loonlijst mogen staan.

De meest efficiente hoogoven en staalfabriek van Centraal-Europa, Witkowice in Tsjechoslowakije, produceert ongeveer hetzelfde tonnage als in 1938, maar met een aanzienlijk groter aantal arbeidskrachten. In West-Europa produceert zelfs een niet-efficiente hoogoven 2,5 maal het tonnage per arbeidskracht als 50 jaar geleden, of ongeveer drie keer wat Witkowice produceert.

Zelfs de fabrieken in Centraal-Europa die technologisch op peil zijn gebleven hebben een personeelsoverschot. De Tungram-fabrieken, even buiten Boedapest, die recentelijk zijn overgenomen door General Electric maken eerste klas gloeilampen. Maar zij hebben verhoudingsgewijs bijna 50 procent meer mensen in dienst dan GE, Siemens en Philips in hun gloeilampenfabrieken in West-Europa.

Dit zijn geen op zichzelf staande voorbeelden. In een stalinistische economie is personeelsoverschot geen slecht beleid; het is een deugd en het is inherent aan het systeem.

Alle nadruk ligt op de zware industrieen van de jaren twintig: mijnbouw, staal, chemische produkten. Als gevolg hiervan is de werkgelegenheid geconcentreerd in de 'schoorsteen'-industrieen, waarvan er over de gehele wereld een overcapaciteit is. Veel werkgevers, onder wie een paar zeer grote, zullen hun bedrijf sluiten.

Toch is het kenmerkend dat er weinig alternatieve werkgelegenheid is in de gebieden waar deze overbemande en verouderde fabrieken zijn gevestigd. Het stalinisme organiseerde doelbewust de politieke controle rond een grote fabriek of industrie die het gebied domineerde. Zwickau, Witkowice en Bitterfeld zijn allemaal steden met een werkgever. Maar het is juist daar dat er het meest gesnoeid moet worden in het aantal banen. Er is genoeg potentiele werkgelegenheid in Centraal-Europa. Er zullen bijvoorbeeld veel arbeiders nodig zijn om de verouderde, verwaarloosde fabrieken, een erfenis van het stalinisme, te renoveren.

Een andere wezenlijke mogelijkheid tot werkgelegenheid misschien nog wel 5 procent van het arbeidspotentieel ligt in de vernieuwing van de verwaarloosde infrastructuur van Centraal-Europa. Oost-Duitsland heeft bijvoorbeeld minder telefoonaansluitingen dan voor de Tweede Wereldoorlog; de spoorwegen en de autowegen bevinden zich in een staat die ver beneden die van voor de oorlog ligt.

De grootste infrastructurele behoefte in geheel Centraal-Europa is de huisvesting; communistische regimes hebben deze altijd als stiefkind behandeld. Wat nodig is, is niet zozeer sociale woningbouw als wel woningen die privacy bieden, persoonlijk gefinancierd worden en prive bezit zijn.

De grootste mogelijkheden tot werkgelegenheid liggen in de dienstverlenende sector. Communistische regimes beschouwen die als 'burgerlijk' en in strijd met het systeem. Daarom is er in geheel Centraal-Europa een reusachtige vraag naar iedere vorm van dienstverlening; de detail- en groothandel; reparatie en onderhoud; banken en verzekeringen; restaurants, wasserijen, stomerijen enzovoort. Dergelijke bedrijven kunnen van de ene op de andere dag worden opgezet en zonder grote investeringen. Alles wat ervoor nodig is, is een kleine zelfstandige.

De grootste fout die de regeringen kunnen maken en die ze helaas zeer waarschijnlijk zullen maken is om door te gaan met het subsidieeren van te veel arbeidskrachten in de industriele sector. Want er zal geen omwenteling zijn als de fabrieken in Centraal-Europa niet binnen afzienbare tijd concurrerend worden.

Geleidelijk te werk gaan is de verkeerde stap bij een omwenteling en uiteindelijk de duurste. Men moet in staat zijn om de mensen te vertellen: 'We zijn klaar met snoeien. Laten we beginnen met opbouwen.' Anders doet niemand iets. Het zou even gevaarlijk zijn om de industrieen van Centraal-Europa te beschermen tegen de concurrentie binnen Europa.

Ten slotte is er de erfenis van 40 jaar stalinisme: de vijandelijkheid in Centraal-Europa tegenover dienstverlening en met name tegen de onafhankelijke ondernemer. 'Wij hebben alleen al in Praag 500 huisschilders nodig', zei een Tsjechische vriend, 'en er zal meer dan genoeg werk voor hen zijn. Maar de het monopoliesysteem van de regering zou hun geen ladders of verfkwasten of verf verkopen. Ze zouden worden beschouwd als als asocialen en parasieten.'

In laatste instantie is de omwenteling van Centraal-Europa misschien wel net zozeer een kwestie van politieke moed en politieke wil als van investeringen en economie.

Markteconomie en vrij ondernemerschap, zo wordt er nu gezegd, hebben gewonnen van het communisme. Dit is niet helemaal waar. Het communisme stortte van binnenuit in elkaar, economisch, politiek en bovenal moreel: het versloeg zichzelf. Vrije ondernemingen en markteconomie en ook democratie zullen alleen winnen als zij Centraal-Europa van richting hebben doen veranderen. Peter F. Drucker is professor in de sociale wetenschappen aan de Claremont Graduate School in Californie. Vertaling Loes Vonk