'Geen grootse initiatieven voor een land als Nederland'; Koopman won weer van dominee

Varen we uit of niet? Al begin deze week werd over het zenden van een of meer Nederlandse marineschepen naar de Golf druk intensief diplomatiek overleg gevoerd, maar een besluit in Den Haag is nog steeds niet gevallen. Andere landen (Engeland, Australie) zijn al onderweg, maar Nederland wikt, weegt, bekijkt het verzoek vooral zorgvuldig, want zoals een regeringswoordvoerder het afgelopen donderdag uitdrukte, 'je moet wel met snelheid, maar niet overhaast handelen'.

Niet overhaast handelen; dat is nu al anderhalve week lang het kenmerk van het Nederlandse beleid als het zo al genoemd mag worden rond de crisis in het Midden-Oosten.

Om tien over vier Nederlandse tijd in de vroege ochtend van 2 augustus kwamen de eerste berichten uit Koeweit over de Iraakse invasie. Vier uur later werd in New York de Veiligheidsraad bijeengeroepen en om even over twaalven was de veroordeling van Irak een feit. Nog geen half uur na de uitspraak van de Veiligheidsraad maakte het Witte Huis bekend (het was op dat moment in Washington half zeven in de ochtend) dat president Bush had besloten om met onmiddellijke ingang alle Iraakse en Koeweitse tegoeden en bezittingen te bevriezen.

Europa kwam iets trager op gang, maar aan het eind van de dag konden uit verschillende hoofdsteden toch soortgelijke maatregelen als die de Verenigde Staten hadden getroffen, worden gemeld. En Nederland? Nederland was met vakantie en kampte bovendien nog met warmte, sommigen spraken zelfs van een hittegolf. Buitenlandse Zaken liet weliswaar in de bij calamiteiten gebruikelijke verklaring weten 'diep geschokt' te zijn en de Iraakse aanval te beschouwen als 'een daad van agressie', maar verder bleef het stil. De Nederlandse regering, op dat moment bestaande uit minister van economische zaken Andriessen, hield de zaak in de gaten uit de tuin van een hotel in het Veluwse Leuvenum. Een omgekeerde olieboycot zoals her en der in de wereld werd besproken leek hem niet erg waarschijnlijk, meldde hij de verslaggever van het Veronique-journaal. 'Ik geloof niet dat het tot zoiets zal komen'. Sterker nog: de man die ten tijde van de eerste oliecrisis in 1973 als directielid van Van Leer het eerste en enige naoorlogse verlies van de 'vatenonderneming' meemaakte, achtte een dergelijke draconische maatregel zelfs niet wenselijk. 'Ik geloof niet dat het erg verstandig zou zijn als wij natuurlijk met ernstige boycots gaan werken', aldus Andriessen in zijn hoedanigheid als minister van alles.

Faux pas

Twee dagen later bleek tijdens het beraad van EG-topambtenaren in Rome dat het Nederlandse standpunt ten aanzien van een boycot toch iets anders lag. Want Nederland was niet alleen voor een olieboycot en een wapenembargo, maar zelfs voor een algehele handelsboycot. Een maatregel die helaas niet door alle EG-landen werd gesteund, aldus de Nederlandse delegatie na afloop. Maar weer was daar afgelopen maandag Andriessen, nog steeds minister van dienst, om voor het NOS-journaal zijn volgende faux pas te maken: 'Ach, een algehele boycot. Die olieboycot is ongeveer 80 a 90 procent van wat je kunt doen. De handelsstroom met Irak en Koeweit is zo gering dat dat eigenlijk niet zo verschrikkelijk veel betekent.' Voor de echte minister van buitenlandse zaken was de met het uur oplopende spanning in de Golf nog steeds geen aanleiding om vervroegd van vakantie uit Kenia terug te keren. 'Zolang het niet zo is dat onze aanwezigheid ter plekke absoluut wordt vereist, vind ik, mag je ook de bewindslieden enige rust gunnen', aldus Van den Broek uit Mombasa.

Inderdaad, wie zit er nu op Nederland te wachten? Dat de minister ad interim absurde en tegenstrijdige verklaringen afgeeft, wat maakt het uit? Niemand in het buitenland wie het opvalt. Van den Broek kent zijn plaats in de wereld. 'Buitenlandse politiek is voor een land als Nederland wel het laatste terrein waar grootse initiatieven maatgevend zouden moeten zijn', zo citeerde hij instemmend begin dit jaar in de Tweede Kamer tijdens de begrotingsbehandeling van zijn departement PvdA-ideoloog Scheffer.

Geen grootse initiatieven. Dat geldt al jaren ten aanzien van Irak. In mei van dit jaar vroeg het Tweede-Kamerlid Rosenmoller (Groen Links) Van den Broek of hij het zo langzamerhand geen tijd vond worden het voortouw te nemen om in Europees verband over te gaan tot een boycot van strategische goederen voor Irak. Dat was nadat her en der in Europa ook in Nederland onderdelen voor het Iraakse superkanon waren opgedoken. Maar Van den Broek antwoordde voor zoiets niet direct aanleiding te zien. Wie wel in de wereld? kan misschien ter verdediging van Van den Broek worden gezegd. Want als het over dubieuze leveranties aan Irak gaat, is niemand brandschoon. Daarover kan ook iemand als oud PvdA-minister van buitenlandse zaken Van der Stoel meepraten. Hij moet vorige week donderdag met meer dan gewone belangstelling hebben vernomen dat Irak juist midden in de nacht Koeweit was binnen gevallen.

In 1981 was Van der Stoel al door zijn partijgenoot Van den Bergh in de Kamer ontboden om opheldering te verstrekken over berichten dat het bedrijf Oldelft met toestemming van de Nederlandse regering van 1974 tot 1979 (dus onder andere ten tijde van het kabinet-Den Uyl) nachtzichtapparatuur aan het Iraakse leger zou hebben geleverd. Wapens waren het niet, maar optische apparatuur, antwoordde Van der Stoel. 'Door de apparatuur worden eenheden in staat gesteld op beperkte schaal bij duisternis te observeren'.

Specifiek geval

Dat is vorige week gebleken. Verder, aldus Van der Stoel in 1981, moest niet worden vergeten dat bij Oldelft op het moment van de leveranties aan Irak bij Oldelft 1600 mensen werkten, wat de Nederlandse regering 'na zorgvuldige afweging destijds tot de conclusie had gebracht dat in dit specifieke geval de politieke bezwaren niet van doorslaggevende betekenis behoefden te zijn.' Ook de huidige fractievoorzitter van de VVD, Bolkestein, weet waarover hij praat als hij het over Irak heeft. In oktober 1983 reisde hij als minister van handel af naar Bagdad om een overeenkomst tussen Irak en Nederland over economische en technische samenwerking te ondertekenen. Deze week verhaalde hij voor de televisie dat hij de Iraakse leider Saddam Hussein toen al een enge man had gevonden. Een waarneming zijnerzijds die in 1985 en 1986 veel minder bleek tijdens de debatten in de Tweede en Eerste Kamer over de ondertekening van het verdrag.

Een motie van de toen nog oppositionele PvdA waarin de regering werd gevraagd 'alles in het werk te stellen de uitvoer van goederen en kennis die direct voor oorlogsdoeleinden kunnen worden gebruikt, onmogelijk te maken', wees hij af, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn. Hij begreep alle reserves tegen het akkoord niet. Nederland was nog maar een van de weinige EG-landen die geen verdrag hadden gesloten met Irak. 'Het niet sluiten van het akkoord dat reeds door een meerderheid van de staten van de Europese Gemeenschap is gesloten, draagt niet bij tot de verbetering van de toestand van de mensenrechten in het ene of het andere land', aldus Bolkestein. Irak werd ondanks de aanhoudende berichten over schendingen van mensenrechten, en het gebruik van chemische wapens de afgelopen decennia ook door Nederland niet in een uitzonderingspositie geplaatst. De anderen deden het immers ook niet? De koopman won het weer van de dominee. Bolkestein signaleerde het reeds in 1985: 'Irak is een land met een groot landbouwareaal. Daar valt voor Nederland veel te doen.'