Angst voor inflatie en hogere rente drukken koersenobligaties

UTRECHT, 11 aug. Vooral het mogelijk escaleren van het wapengekletter in het Midden-Oosten samen met de oplopende olieprijzen hielden de gemoederen op de financiele markten de afgelopen week flink bezig. De handel op de obligatiemarkt kenmerkte zich dan ook door een grote mate aan onzekerheid.

Uit angst voor een toenemende inflatie en een hogere rente in verband met de stijging van de olieprijzen maakten beleggers een deel van hun obligatieportefeuille te gelde. De obligatiemarkt moest daardoor aanvankelijk over een breed front terug. Het vooralsnog uitblijven van doorslaggevend nieuws uit de Golf bracht aan het eind van de week weer enige rust. De rendementen op de jongste staatsleningen lagen gistermiddag rond de 9 procent. De situatie rond Koeweit en de problematiek omtrent de Duitse eenwording lieten ook de Duitse obligatiemarkt niet onberoerd. De koersen van de toonaangevende Bundesanleihen stonden evenals vorige week onder druk. Het vorige week afgenomen rente-ecart tussen Nederland en Duitsland leidde in de loop van de week tot enig technisch herstel, waardoor het renteverschil in het 10-jaarssegment donderdag opliep tot 18 basispunten.

De dollar bereikte afgelopen maandag bij de fixing een 'all-time low' ten opzichte van de gulden en de D-mark. Naast de ontwikkelingen in de Golf lagen de combinatie van een dreigende recessie en een oplopende inflatie aan de daling ten grondslag. Binnen het EMS bleven de lire en de peseta dicht tegen hun afzonderlijke bovenmarges fluctueren. Deze situatie is in wezen paradoxaal omdat Spanje met een hoge inflatie en een stijgend tekort op de lopende rekening kampt, terwijl Italie te maken heeft met een enorm begrotingstekort. Zelfs de gestegen olieprijs had weinig of geen invloed op lire en peseta, hoewel beide landen grote importeurs van olie zijn.

Mede op grond van het herstel van de dollar later in de week kon de gulden haar relatieve positie ten opzichte van de D-mark per saldo verbeteren. Gegeven de huidige situatie vond de Nederlandsche Bank geen aanleiding om de rente op de nieuwe speciale belening, zijnde 8 procent, te veranderen. De markt had niettemin op een grotere toewijzing dan de 3,25 miljard gulden gerekend. De geldmarkt bleef hiermee onverminderd aan de krappe kant, wat een stijging van de daggeldrente tot gevolg had.

Eurokapitaalmarkt

De dollar staat onder invloed van twee elkaar tegenwerkende factoren. Aan de ene kant wordt de dollar omlaag getrokken door fundamentele factoren: een stagnerende economische groei alsmede een toenemend begrotingstekort. De zwakke economische positie van de Verenigde Staten werd nog eens bevestigd door tegenvallende werkgelegenheidscijfers terwijl ook de gestegen olieprijzen de Amerikaanse economie geen goed doen. Het 'veilige haven'-effect van de dollar fungeert hierbij als tegenhanger. Door de toegenomen onrust in het Midden-Oosten enerzijds en de later in de week afzwakkende olieprijs anderzijds werd de afgelopen week het dollar-pleit beslecht in het voordeel van het veilige haven-effect.

Op de obligatiemarkt kunnen dit soort spanningen zich wat gemakkelijker ontladen. De lange kant omhoog wordt getrokken door de toegenomen inflatiedreiging. Het korte looptijdsegment vormt daarentegen in tijden van onrust de veilige haven voor de beleggers. Bovendien zorgt de zwakke Amerikaanse economie voor een benedenwaartse druk op de korte rente. Sinds de Iraakse inval in Koeweit is het rendementsverschil tussen de 10 jaars- en de 2-jaars staatsleningen met 23 basispunten toegenomen.

De veiling van Amerikaanse langlopende staatsleningen, die afgelopen week plaatsvond, kwam hierdoor niet onder een gelukkig gesternte te staan. Mede door de, als gevolg van een afnemend rente-ecart, tanende belangstelling voor Amerikaans papier verliep met name de veiling van 10 jaars treasury bijzonder slecht. De door het hoge rendement toegenomen binnenlandse belangstelling en de afdekking van short-posities zorgden een dag later, op donderdag, wel voor een goed verlopen 30-jaars veiling. De beleggers richtten zich op de binnenlandse markten waardoor zowel de primaire als de secundaire eurokapitaalmarkt weinig activiteit kende.

Bron: Rabobank Nederland Beleggingsonderzoek