Wie het zeemanslied nog niet kent, die leert het wel tijdenshet samen zingen; Door landrotten zorgvuldig gekoesterd

Wie tijdens Sail '90 het Zeeliederenfestival in de Amsterdamse Oosterkerk bezoekt, krijgt om de kerk vrijelijk in en uit te kunnen lopen een stempeltje op de hand: een anker. Het lijkt wel een echte tatoeage en dit gezamenlijke uiterlijke kenmerk leidt onmiddellijk tot een sterk saamhorigheidsgevoel. Man en vrouw, jong en oud voelt zich hier gelijk een stoere zeebink, vertrouwd met de immer rusteloze golven, het peilloos hoge zwerk en de eeuwig onbereikbaar verre einder, die decor en akoestiek vormen voor het zeemanslied. Een ieder is ook onmiddellijk bereid om mee te zingen.

Door KASPER JANSEN

Met zijn allen moeten de shanties, de haalliedjes, de gangspil-, ankerspil- en pompliedjes worden gezongen om het te kunnen opnemen tegen de elementen en de voortdurende gezamenlijke krachtsinspanningen ogenschijnlijk lichter te maken. Vaak zwengelt een zanger het zingen aan: eindeloze balladen met een langzaam verteld verhaal, vaak met slechts een regel tegelijk en doorstroomd met veel masaal gezongen refreinen. De stemming varieert van vrolijk tot treurig en gelaten: Ja, varen is mijn lot.

Hier in de Oosterkerk, midden in het voormalige Amsterdamse zeemanskwartier waar de werf van de VOC stond, zitten de kenners en liefhebbers, veelal buurtgenoten. En wie de teksten niet kent leert ze onmiddellijk meezingen of op zijn minst meeneurien. De ruig ogende oergezellige Noordhollandse groep 't Riedeltje, die gisteren met een zelf gebouwd piratenschip al zingend en varend vanaf IJmuiden de windjammers heeft ingehaald, was inmiddels wat schor maar hoefde zelf niet meer op volle kracht te zingen. De refreinen van Wie wil er mee naar Wieringen varen en Daar was laatst een meisje loos worden door dit kerkvolk telkens unisono meegezongen, ook al blijken er verschillende versies in omloop te zijn.

Het Amelander Shanty Koor kan met achtentwintig leden en een passend uiterlijk gemakkelijk voor een echte bemanning van een forse schoener doorgaan. Ze zingen met een donkere en massieve kracht en klinken onverzettelijk. Maar de vijf schriele Poolse jongens van Tonan en Synowie zijn echte matrozen, gisteren in Amsterdam aangekomen op hun zeilschip. Ze begeleiden zichzelf op viool, fluit en gitaar en hun repertoire is gevarieerd: shanties, een zeventiende-eeuws Hollands lied, spirituals en een virtuoze versie van The lion sleeps tonight, waarmee we merkwaardig snel van de oceaan in het oerwoud terechtkwamen.

De Friese groep Kat yn 't Seil, die zelfs Esperanto kent, is een befaamde serieuze folkgroep: goed zingend en spelend, met een aanstekelijk programma, waarin ook het treurige en verlangende zeevrouwslied niet ontbreekt. In elke toelichting op wat werd gezongen verwees men naar Stan Hugill, de 84-jarige grootvader van de zeeliedkunst, auteur van Shanties from the seven seas. Net als hij vanavond doet, verzorgde hij het slot van deze eerste avond van dit vierdaagse Zeeliederenfestival, omringd door alle andere zangers. Hugill, met authentiek oorringetje en haarstaartje, zingt met een stentorstem, lijkt nauwelijks ouder dan half de vijftig en vertelt tussendoor allerlei verhalen en anekdotes. Ook vroeg hij zich af waarom er geen monument bestaat voor die Hollander die Kaap Hoorn ontdekte, 'the worst place of the world.'

Ja, dat was allemaal sfeervolle oeroude zeemanskunst, door landrotten zorgvuldig gekoesterd als waar cultuurbezit. Maar hoe staat het er tegenwoordig mee, met het bezingen van de zee, de pekelzoute zee? Na afloop voer er gisteravond bij mij thuis nog een luidruchtige rondvaartboot langs met wel honderd matrozen van een van de windjammers. En wat zongen zij? Ole, ole, ole, ole etc. Het Entrepotdok leek wel een stadion. Waar bleef toch het oude Joho, joho, joho, johooooh? Ach, dat is ook verdwenen, voorgoed opgeslokt door de zilte zee, voor altijd vervlogen in de waaiende wind.