Surinaamse politie verdient steun

De Surinaamse politie is in staking. Niet om een hoger salaris of om andere arbeidsvoorwaarden af te dwingen, maar om te laten zien dat het haar onmogelijk is geworden haar werk nog te doen. Het leger blijft los van de politie zijn eigen gang gaan in ordehandhaving en criminaliteitsbestrijding; optreden van de politie tegen militairen die verdacht worden van strafbare feiten leidt nog steeds tot officiele of onofficiele beschermingsacties door het leger. De aan het leger toegeschreven moord op de politie-inspecteur Gooding en de beschieting van een politiebureau zijn daarvan de meest recente voorbeelden.

De animositeit tussen politie en nationaal leger heeft een ruim tien jaar oude geschiedenis. Zij begint op het moment dat de politie een demonstratie van ontevreden onderofficieren in opdracht van de dan nog democratisch gekozen regering uiteenjaagt en vindt een vervolg in het gewapende verzet van de politie tegen de staatsgreep van de groep rondom Bouterse, gerecruteerd uit dezelfde groep onderofficieren.

Hoewel de politietop na de machtsovername werd gezuiverd voor zover de betrokkenen niet al eieren voor hun geld hadden gekozen en naar het buitenland waren gevlucht is de verhouding tussen politie en leger altijd ongemakkelijk gebleven. Het leger en vooral de daarvan deel uitmakende militaire politie ging zich na de machtsovername met de taak van de politie bemoeien; militairen duldden geen actie van de politie tegen het eigen apparaat. De militairen stonden boven de wet. Het militair gezag heeft de politie het verzet tegen de machtsovername nooit vergeven; de politie heeft het leger nooit vergeven dat zij werd ontwapend en dat zij in de ogen van het publiek haar gezicht verloor door de uitdagingen van de militairen.

De instelling van een burgerregering wijzigde de verhouding opnieuw. Het zwaartepunt van de ordehandhaving en de criminaliteitsbeheersing zou opnieuw bij de politie komen te liggen en de rol van het leger zou worden beperkt of zelfs beeindigd. De mate waarin en de snelheid waarmee dit zou geschieden is echter steeds onduidelijk geweest en regering en politie hebben zeer behoedzaam moeten opereren om het leger terug te krijgen in de kazerne. Het succes, zo blijkt nu opnieuw, is zeer gering. Hoewel de militaire politie mede onder druk van de Nederlandse regering haar algemene opsporingsbevoegdheid, die ze onder het regime van Bouterse had gekregen, weer is kwijtgeraakt, blijven het leger en in het bijzonder de militaire politie en de inlichtingendienst zich met de ordehandhaving en de criminaliteitsbestrijding bemoeien.

De strijd tussen de twee organisaties is meer dan een uiting van ordinaire vijandschap tussen twee concurrenten die beide een deel van de binnenlandse politietaak voor hun rekening willen nemen. Zo'n animositeit komt elders ook voor en is slechts in geringe mate verontrustend. Het is in Suriname vooral een strijd tussen verschillende politieke ordes waarvan het gevecht om het politiewerk slechts een uiting is.

Aan de ene kant is er de politieke orde die door Nederland in Suriname is achtergelaten en die een afspiegeling is van de politieke orde die wij in ons land en het Westen kennen. Daarin heeft de politie een uitvoerende taak, gestuurd door wettelijke regelingen en politieke of bestuurlijke gezaghebbers. De strijdkrachten hebben niet of nauwelijks binnenlandse taken.

Aan de andere kant is er een model waarin de militairen een centrale rol in de ontwikkeling van het land op zich nemen, daarvoor mensen en hulpmiddelen mobiliseren, daartoe een ideologie ontwerpen en zo nodig de politieke structuur aanpassen. In zo'n ontwikkelingsmodel is de politie ondergeschikt geworden aan de militairen, die zich vaak actief met het politiewerk bemoeien, zeker voor zover dat politiek relevant is.

Het Surinaamse leger past eigenlijk niet goed in de rij van legers die het initiatief namen in de ontwikkeling van het land. In andere landen was sprake van groepen officieren met een hoogwaardige opleiding, die in staat waren als 'moderniserende elite' op te treden. Zij waren en zijn vaak beter dan anderen in staat bestuurlijke en politieke posities te bekleden. In het Surinaamse leger bestond zo'n elite niet. Daar was het een groep relatief slecht opgeleide onderofficieren die de macht greep. Voor zover er sprake was van een bestuurlijke elite, werd die opvallend genoeg veel meer geleverd door de in Nederland opgeleide politie-officieren, die vaak hun weg vonden in bestuurlijke functies bij de overheid en in managementsfuncties in Surinaamse bedrijven.

In Suriname is de politieke orde onduidelijk. De politie meent dat er een overgang is naar de klassieke democratie en neemt haar rol het handhaven van de rechtsstaat onder een gekozen regering weer op; zij vraagt aan die regering, nu via een staking, om erkenning van die rol. Het leger heeft een beeld van een politieke orde, waarin het blijvend een rol speelt in de binnenlandse politiek, een beeld dat niet goed is te verenigen met de traditionele democratie. Die rol brengt het in blijvende concurrentie niet alleen met de politie, maar ook met de regering, die een brede politieke rol van het leger moet afwijzen. Deze concurrentie neemt nu het karakter aan van een openlijke strijd, waarvan de uitslag onduidelijk is. De positie van de regering tegenover het leger lijkt te zwak om de rol van het leger effectief te beperken en de positie van de politie ten opzichte van het leger is te zwak om haar positie feitelijk te bevestigen, maar tezamen met de regering te sterk om door het leger te worden terzijde geschoven. Zoals zo vaak is de analyse gemakkelijker dan de remedie. Een ding lijkt duidelijk: zo lang de rol van het leger niet helder is omschreven, is geen oplossing mogelijk.

Beeindiging van militaire regimes vraagt een sterke inperking van de rol van het leger en ten minste een symbolische afrekening met mogelijke vergrijpen tegen de mensenrechten. In het geval van Suriname betekent dat een nog duidelijker houding van de regering tegenover de toekomst van de politieke instituties en de positie van het leger daarin; pas dan kan ook de rol van de politie duidelijker worden. Dat houdt in dat hulp aan Suriname in de niet te verre toekomst een voor Nederland ongebruikelijke vorm zou kunnen aannemen; steun aan de Surinaamse politie ter versterking van de Surinaamse democratie. Die steun kan de vorm aannemen van hulp bij opleiding, technische ondersteuning en gespecialiseerde advisering bij ordehandhaving en criminaliteitsbestrijding.

De vraag is wanneer de tijd rijp is voor zo'n ondersteuning. Het moment van nu lijkt niet erg gunstig. Wanneer Graanoogst, het hoofd van de militaire politie in Suriname, gelijk heeft met zijn bewering dat het niet het leger is dat de dood van Gooding op zijn geweten heeft, maar 'elementen die consequent bezig zijn rust en orde te verstoren' en die mogelijk 'ook in het leger en de politie opereren' (NRC Handelsblad, 7 augustus), moet men vrezen dat naast het leger groepen beginnen te ontstaan van het slag dat wij elders in Midden- en Zuid-Amerika kennen. Ze zijn samengesteld uit militairen of politiemensen die er op eigen houtje op uit gaan om wat zij als de vijand beschouwen te bestrijden. Opkomst van dergelijke groepen, die onder meer de politie als doelwit hebben, zou de politie in Suriname weerloos kunnen maken met alle negatieve gevolgen van dien.