Relaties met China verdelen Indonesie

JAKARTA, 10 aug. Terwijl premier Li Peng van China op het eiland Bali bijkomt van een historisch bezoek aan Indonesie, blijft 'het Chinese probleem' de gemoederen in Jakarta bezighouden. Een voormalige chef van de Indonesische inlichtingendienst is niet tegen herstel van de betrekkingen met Peking, maar vindt het tijdstip slecht gekozen en een vooraanstaand islamitisch parlementarier waarschuwt voor een sluipende machtsovername door etnisch-Chinese zakenlieden. Nu de normalisasi een feit is, gaat het nog slechts om een achterhoedegevecht, maar de emoties zijn er niet minder om.

In een interview met het weekblad Tempo, dat woensdag verscheen, de dag waarop premier Li Peng en president Soeharto het herstel van de diplomatieke betrekkingen met een handdruk bezegelden, zegt Yoga Sugama, ex-chef van de Indonesische geheime dienst, dat de regering in de kwestie-China overhaast heeft gehandeld. Generaal b.d. Sugama, die in zijn onlangs verschenen memoires beweerde dat Peking de communistische 'putschisten' in 1965 van wapens had voorzien, verklaart zich niet tegen een normalisatie, maar acht de tijd daarvoor nog niet rijp. Diplomaten in Jakarta zijn van mening dat Sugama lucht heeft gegeven aan de opvatting van een aantal hoge militairen, die China blijven wantrouwen. Maar ook buiten legerkringen leeft de angst voor het 'gele gevaar' onverminderd voort. Gisteren waarschuwde Thaheransyah, fractievoorzitter van de islamitische Partai Persatuan Pembangunan (PPP) in de Kamer van Volksafgevaardigden, dat, indien de ondernemers van Indonesische origine niet meer armslag krijgen, etnische Chinezen het economische leven van Indonesie zullen beheersen en op den duur de regering als geheel zullen controleren. 'Wij zijn geen voorstanders van een nieuwe Verenigde Oostindische Compagnie in Indonesie', aldus Thaheransyah. 'De VOC begon met het monopoliseren van onze economie en nam vervolgens het bestuur over.'

Zowel Sugama als de PPP-leider vertegenwoordigt een minderheidsstandpunt binnen de politieke en militaire top, maar zij geven wel degelijk stem aan een wijd verbreid wantrouwen onder de Indonesische bevolking jegens de etnisch-Chinese gemeenschap. Een deskundige op dit gebied is mevrouw Mely G. Tan, die als sociaal-wetenschappelijk onderzoeker is verbonden aan het Indonesische Instituut van Wetenschappen (LIPI). 'Er bestaat een onlosmakelijk verband tussen de staatkundige betrekkingen met Peking en de zeer gevoelige kwestie van de etnisch-Chinese minderheid in dit land', aldus Tan, die zelf van Chinese afkomst is. 'Een van de redenen waarom het zolang duurde voor de normalisatie zijn beslag kreeg, is dat men zich hier nog steeds grote zorgen maakt over het interne 'Chinese probleem'. Er wonen nog steeds zo'n 4 miljoen mensen in Indonesie die door hun uiterlijke kenmerken, hun taal of gewoonten, zijn te onderscheiden als etnische Chinezen. In sommige kringen vooral binnen de strijdkrachten worden ze beschouwd als een potentiele vijfde kolonne. Daar is men van mening dat de assimilatie van deze minderheid eerst moet zijn voltooid voordat we ons een normalisatie van de betrekkingen met China kunnen veroorloven.'

De regering en de strijdkrachten van Indonesie vinden dit in meerderheid een te radicaal standpunt, maar ze hebben in de onderhandelingen met Peking wel degelijk een groot punt gemaakt van de zogenaamde 'vreemdelingenkwestie'. Tan: 'Dat is een oud probleem dat teruggaat tot de beginjaren van de republiek. Sinds de onafhankelijkheid sluit de Indonesische wet een dubbele nationaliteit van zijn staatsburgers uit, terwijl China vanouds uitging van het ius sanguinis: eenieder die geboren is uit of erkend is door een Chinese vader werd automatisch geacht Chinees burger te zijn. 'Dat leidde tot grote onduidelijkheid over de status van de Chinese gemeenschap in Indonesie. In 1955, tijdens de grote Afro-Aziatische conferentie in Bandoeng, hebben de ministers van buitenlandse zaken Zhou Enlai en Soebandrio daarvoor een oplossing bedacht: de etnisch-Chinese inwoners van Indonesie kregen twee jaar de tijd om naar de rechter te stappen en afstand te doen van hun Chinese staatsburgerschap, waarmee ze automatisch Indonesische burgers werden. Velen hebben dat gedaan, maar vele anderen hebben dit uit onwetendheid of om andere redenen nagelaten. Daarna konden kinderen van Chinese ouders op hun achttiende alsnog opteren voor het staatsburgerschap van Indonesie.'

'Aan het begin van de jaren zeventig, toen de betrekkingen met Peking zeer slecht waren, heeft Jakarta die overeenkomst eenzijdig opgezegd. Sinds 1980 zijn er echter nieuwe mogelijkheden. 'Vreemdelingen' van Chinese afkomst kunnen Indonesisch burger worden als het districts- of dorpshoofd getuigt dat de persoon in kwestie hier al een leven lang woont en een Indonesische levenswijze heeft aangenomen. In de loop der jaren is de groep 'vreemdelingen' aldus geslonken van zo'n een miljoen in 1970 tot zo'n 300.000 nu. De status van die laatste groep vormde een belangrijke inzet bij de normalisatiebesprekingen', aldus mevrouw Tan. Hoeveel gewicht Jakarta aan deze kwestie hecht, blijkt wel uit het 'Memorandum of Understanding' dat beide partijen woensdag ondertekenden. Daarin zijn maar liefst twee van de vier alinea's gewijd aan de status van Chinese en Indonesische 'vreemdelingen' in respectievelijk Indonesie en China. De tekst betekent in zoverre een doorbraak dat Peking geheel afstand doet van het ius sanguinis en het Indonesische standpunt van niet-erkenning van een dubbele nationaliteit overneemt. De cruciale zin luidt aldus: 'Die mensen van Chinese origine die in Indonesie wonen en tot Indonesier zijn genaturaliseerd of de Indonesische nationaliteit hebben verworven, verliezen daarmee automatisch de Chinese nationaliteit.' Ter geruststelling van de Indonesische kant roepen beide partijen hun staatsburgers die verblijf houden in een ander land op, zich aan de wetten van dat land te houden en de plaatselijke waarden en gewoonten te respecteren.