Norbert Elias: mensen zijn fundamenteel van elkaarafhankelijk; Een illusieloze realist met distantie

De socioloog Norbert Elias, die vorige week op 93-jarige leeftijd in zijn Amsterdamse woning overleed, wist niet van ophouden, leek het. Tot vlak voor zijn dood bleef hij vrijwel onafgebroken werken, ook toen hij praktisch blind geworden was, zijn stukken dicterend aan jeugdige assistenten, die aan het eind van een lange werkdag vaak de uitputting nabij waren. Toen de auteur de tachtig al ruimschoots gepasseerd was, verscheen van zijn hand een groot aantal artikelen en boeken, waaronder Ueber die Zeit (1984), Humana conditio (1985), Die Gesellschaft der Individuen (1987) en Studien uber die Deutschen (1989). Vanwaar die gedrevenheid? Elias was iemand die consequent leefde naar de opdracht die hij zichzelf gesteld had. Hij wilde begrijpen en begrijpelijk maken 'hoe mensen met elkaar te leven hebben', om een zinsnede uit zijn bekendste werk, Het civilisatieproces, aan te halen. Hij wist dat hij belangrijke inzichten te melden had en daarbij had hij geen tijd meer te verliezen.

Tussen 1939, het jaar waarin Het civilisatieproces verscheen, en 1969 had hij weinig gepubliceerd. Hij was, in dat laatste jaar, een vrijwel onbekende figuur, een Duits-joodse balling in Engeland zonder gezin en zonder naaste familieleden, die pas op 57-jarige leeftijd een vast medewerkerschap (geen hoogleraarschap) aan een weinig vooraanstaande universiteit (die van Leicester) had verworven en nu met pensioen was.

Voor enige verspreide eenlingen was hij de schrijver van een belangrijk boek, waarvan overigens niet duidelijk was bij welke discipline (geschiedenis, sociologie, psychologie) het hoorde. Pas daarna kwamen nieuwe publikaties, kwam de erkenning, kwamen de eerbewijzen en de uitnodigingen voor lezingen en gasthoogleraarschappen, die weer tot schrijven en publiceren stimuleerden. Elias was bezig aan een geweldige inhaalmanoeuvre, waarbij ook ouder, nog ongepubliceerd werk werd opgediept en deels werd herschreven en van nieuwe inleidingen of epilogen voorzien.

Elias' eigen carriere vormt zo een mooie illustratie van een centraal uitgangspunt van zijn sociologie: dat mensen fundamenteel van elkaar afhankelijk zijn. Zelfs de gedreven geleerde die Elias sinds zijn jonge jaren was, zelfs deze compromisloze Einzelganger met zijn sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde was voor zijn intellectuele activiteiten in hoge mate van anderen afhankelijk. Niet alleen materieel, maar ook psychologisch. Ook hij had waardering nodig. Toen die eenmaal kwam, accepteerde hij die als iets wat hem toekwam, al kon hij tegelijkertijd welsprekend van zijn ontroering blijk geven, zoals tijdens de huldiging in de Aula van de Universiteit van Amsterdam naar aanleiding van zijn negentigste verjaardag.

Distantie

Mijn eerste herinnering aan Elias is een college, in 1970 of daaromtrent. Achter de microfoon stond een kleine, oude man, in slordig zwart pak gehuld, die indringend, met heftige gebaren en soms stotterend van opwinding, in zorgvuldige Engelse volzinnen met een Duits accent een halfvolle zaal toesprak. Een opmerking uit zijn gepassioneerde betoog is mij bijgebleven: de bourgeoisie, zei hij, is geneigd tot moralisme in de politiek.

In een tijd dat wij dagelijks geinformeerd werden over de immoraliteit van de Vietnam-politiek van het burgerlijk-kapitalistische Amerika was dat een opmerkelijk geluid, dat een schokje teweegbracht in mijn linkse wereldbeeld, te meer omdat het zo duidelijk zonder enige provocerende bedoeling werd gezegd. Het was typerend, zo bleek mij later, voor de gedistantieerdheid die hij ook ten opzichte van de meest emotionerende onderwerpen wist op te brengen, zijn onverstoorbaarheid tegenover welke linkse of rechtse mode dan ook.

Uit die gedistantieerde sociologische visie sprak en schreef hij onder meer over sportbeoefening, over de ontwikkeling van kennis en wetenschap, over de Britse marine, over klassenverhoudingen en etnische minderheden en over de roddel en achterklap in een Engelse arbeidersbuurt.

In Wat is sociologie? zette hij in 1970 de essentialia van de door hem voorgestane benadering uiteen. Maar het meest bekend werd hij en bleef hij door Het civilisatieproces, waarvan in 1982 een Nederlandse vertaling verscheen. Het is op het eerste gezicht een studie naar veranderingen tussen ongeveer 1200 en 1800 in zulke alledaagse verrichtingen als neus snuiten, spugen, urineren en het al dan niet gebruiken van messen, lepels en vorken bij het eten.

Hierop baseert Elias zijn veelomvattende civilisatietheorie, die er kort gezegd op neerkomt dat mensen in West-Europa sinds de Middeleeuwen op deze en andere gebieden (waaronder in het bijzonder het gebruik van geweld en de omgang tussen de seksen) steeds meer restricties in acht zijn gaan nemen, een ontwikkeling die hij primair verklaart uit de pacificatie van het dagelijks leven die het gevolg was van staatsvorming.

De theorie heeft inmiddels een grote hoeveelheid commentarierende geschriften voortgebracht. Zo is uitvoerig gediscussieerd over de vraag of en, zo ja, hoe twintigste-eeuwse ontwikkelingen als het informeler worden van omgangsvormen en de afbraak van seksuele taboes te rijmen zijn met een theorie die stelt dat de 'zelfdwang' in de loop van de tijd is toegenomen. Bij alle kritiek en contra-kritiek wordt echter nog steeds met vrucht van de theorie gebruik gemaakt, zoals blijkt uit recent werk van Nederlandse, Engelse en Duitse onderzoekers.

Realisme

Ook Elias zelf is telkens weer op zijn eigen civilisatietheorie teruggekomen en heeft er elementen aan toegevoegd, het meest expliciet en uitvoerig in zijn magistrale laatste werk, Studien uber die Deutschen. Daarin vergelijkt hij de Duitse 'nationale habitus' met de Franse, de Engelse en de Nederlandse, en gaat hij eindelijk in op het probleem dat hem van de jaren dertig af voortdurend moet hebben beziggehouden: de verklaring van het nationaal-socialisme.

Uit zijn behandeling van dit laatste fenomeen blijkt weer zijn verbazingwekkende vermogen tot distantie, zijn weigering om wetenschappelijke analyse te vermengen met morele oordelen. Er blijkt ook iets anders uit dat daar nauw mee samenhangt: een radicaal, illusieloos realisme. Dwang, uitbuiting, geweld, oorlogen: het waren voor Elias geen ontsporingen, geen afwijkingen van een in principe harmonische sociale orde, maar evenzeer aspecten van de sociale werkelijkheid als samenwerking en solidariteit.

Daarmee keerde hij zich tegen visies die wel van een harmonische sociale orde uitgaan en deze projecteren op hetzij een als statisch gedacht heden (zoals in het conservatief getinte functionalisme), hetzij een nog te realiseren toekomst (zoals in het marxisme). Toch heeft het werk van Norbert Elias ook een optimistische kant. Menselijke samenlevingen veranderen voortdurend, en al lopen de veranderingen grotendeels onbedoeld, ze kunnen ook onbedoeld goed uitpakken. Bovendien: juist realistische analyses kunnen ertoe bijdragen dat op den duur de greep op maatschappelijke veranderingen groter wordt. Vooruitgang is op geen enkele wijze gegarandeerd, maar behoort tot de mogelijkheden, en is voor bepaalde ontwikkelingen ook feitelijk aantoonbaar.

Deze combinatie van illusieloos realisme en genuanceerd, voorwaardelijk vooruitgangsoptimisme valt te bespeuren in Elias' civilisatietheorie. Dezelfde combinatie is, misschien nog wat duidelijker, te vinden in zijn kennissociologie, die hij, in de geest van Auguste Comte, ontwierp als alternatief voor de zijns inziens verouderde filosofische kennisleer: de absolute waarheid is niet bereikbaar, maar vooruitgang in kennis is, onder bepaalde maatschappelijke voorwaarden, wel degelijk mogelijk en heeft zich ook feitelijk voorgedaan.

Elias keerde zich hiermee tegen elke vorm van absolutisme, maar ook tegen het goedkope relativisme dat blijft steken in de platitude dat iedereen (of elke groep, of klasse, of natie) zijn eigen waarheid heeft.

Alternatief

Elias kreeg in Nederland eerder erkenning dan elders. Dat is in de eerste plaats te danken aan de inspanningen van de Amsterdamse socioloog J. Goudsblom, die op zijn beurt door enkele lovende beschouwingen van Menno ter Braak voor Elias' werk warm was gemaakt. Goudsblom en Elias ontmoetten elkaar in 1956 op een congres en hielden sindsdien contact.

Maar het was pas rond 1970 dat Goudsblom het werk van Elias onder de aandacht ging brengen als het voorbeeld van hoe het moest. Dat had waarschijnlijk met verschillende factoren tegelijk te maken: nieuwe publicistische activiteit van Elias, zijn aanwezigheid als gasthoogleraar in Amsterdam, de benoeming tot hoogleraar van Goudsblom die zich wilde profileren en meer invloed kreeg, en, als algemene achtergrond, de 'crisis in de sociologie', de verwarrende botsing van theorieen, stromingen, paradigma's, in welk gewoel het nieuwe 'paradigma' van Elias zich als aantrekkelijk alternatief aandiende.

Sindsdien is er een groot aantal dissertaties en andere studies verschenen die zich meer of minder uitgesproken op dit perspectief baseren, waarvoor de naam 'figuratiesociologie' is bedacht (een Engelstalige bibliografie van al dat werk verschijnt in september in de publikatiereeks van het Sociologisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam). Deze activiteiten en de daarmee gepaard gaande groepsvorming hebben zo nu en dan weerstanden gewekt; er werd gesproken van 'sektevorming' en 'kliekgeest'. De felheid van die kritiek heeft de betrokkenen vaak verbaasd. In feite ging het om een veel lossere, opener en informelere groep dan men uit die beschuldigingen zou opmaken.

Toen zijn boeken vertaald werden groeiden Elias' invloed en reputatie sterk in andere landen. In Engeland geldt hij nu als een van de belangrijkste 'eigen' sociologen. Stephen Mennel (die ook in Nederland naam maakte met een boek over de Franse en Engelse eetcultuur) wijdde een forse studie aan zijn werk onder de sobere titel Norbert Elias. In Frankrijk staat hij vooral bekend als belangrijk historicus, wiens werk grote affiniteit vertoont met de Annales-school. In Duitsland steeg zijn reputatie tot grote hoogten. Hij fungeerde daar de laatste jaren als grote oude wijze, als klassieke universele geleerde naar wie met eerbied werd geluisterd.

Waarschijnlijk had Elias zich in Duitsland tot een soort intellectuele lintendoorknipper kunnen ontwikkelen, maar ook in dit opzicht hield hij afstand letterlijk, door zich in Amsterdam te vestigen. Ook in Italie, Spanje en Denemarken heeft hij, blijkens de necrologieen die daar vorige week in de kranten verschenen, een bekendheid gekregen die de kring van beoefenaren van de historische en sociale wetenschappen ver te buiten gaat.

Elias is dood, en de dood is het einde niemand die dat beter wist dan de illusieloze realist die hij was. Over zijn werk zijn we voorlopig niet uitgepraat.