Kameel Ik weet het, kinderen, het klinkt wat bezopen, Maar 'k ben net door 't oog van een naald heengekropen, Begeleid door het triomfantelijke zingen Van de rijken die het Paradijs binnengingen.

Maar ik zelf, lieve kinderen, kom niet in de hemel: Voor mij 's daar geen plaats want ik ben maar een kemel; En dan ben ik nog wel een dier dat kan knielen! Maar dieren hebben geen onsterfelijke zielen, Althans volgens de Christenen. Maar er zijn geen bewijzen,

En wie zou niet kamelen de hemel in prijzen? Want woestijnen zijn eens paradijzen geweest En in woestijnen gedijen kamelen het meest.