God heeft een glazen oog; Gruwelsprookje van Edgar Hilsenrath

In het begin van de Eerste Wereldoorlog wandelen een Duitse en een Turkse officier door de straten van de Turkse stad Bakir. De Duitser staat het Turkse leger als adviseur terzijde. Bij de toegangspoort tot de stad kijken de twee mannen naar de lijken van opgehangen Armeniers. Volgens de Turkse officier is deze niet-islamitische bevolkingsgroep de oorzaak van alle tegenslag waarmee zijn land kampt. Er bestaat een 'Armeense wereldsamenzwering', zegt hij, die erop gericht is Turkije te vernietigen. De Turkse regering zal de Armeniers een stap voor zijn; een 'Endlosung' is in voorbereiding. Met dit plan wekt hij de interesse van de Duitse officier. De sjacherende Armeniers op de markt hadden hem aan de joden doen denken die hij in Duitsland dagelijks om zich heen ziet. Misschien kan Duitsland van Turkije leren in de omgang met 'vreemde elementen'. In de roman Das Marchen vom letzten Gedanken van de Duits-joodse schrijver Edgar Hilsenrath (1926), die de zogenaamde 'Vergeten volkerenmoord' uit 1915 tot onderwerp heeft komen steeds zulke gesprekken voor.

Honderdduizenden Armeniers kwamen destijds bij vervolgingen om het leven. De beulen, Bashi Bozuks en Tsjerkessen, zijn later niet berecht en de slachtoffers werden grondig vergeten. Waarom is de vernietiging van de Armeniers slechts een voetnoot in de geschiedenis van de twintigste eeuw? Een oorzaak is de weigerachtige houding van de huidige Turkse regering om de genocide zonder enig voorbehoud te erkennen. Met zijn Marchen legt Hilsenrath de vinger op de zere plek.

De roman laat zich lezen als een gruwelsprookje. Het verhaal begint in 1988. Hilsenrath voert een Turks politicus ten tonele die, aangesproken op de vervolgingen door een nakomeling van de slachtoffers, pleit om deze kwestie nu maar te laten rusten: 'Velen van ons zouden buikpijn krijgen want de fluisterstemmen van de slachtoffers verstoren de spijsvertering. We zouden kunnen gaan piekeren en van het gepieker hoofdpijn krijgen. Wat zou dat voor zin hebben!' Hij zegt dit tegen Thovma Khatisian, een oude Armenier die de raadsels rond zijn afkomst probeert op te lossen. Thovma is in 1915 als het ware uit de dood geboren; zijn moeder werd na zijn geboorte vermoord, zijn vader Wartan verdween spoorloos. Wartans levensverhaal wordt Thovma ingefluisterd door een meddah, een onzichtbare sprookjesverteller die hem meevoert naar de tijd voor zijn eigen geboorte. De meddah toont hem een wereld waarin de christelijke Armeniers voortdurend in angst leven voor de pogroms die hun islamitische buren ontketenen. 'Waarom grijpt God niet in?', vraagt Thovma. 'God ziet niets, Hij heeft een glazen oog', antwoordt de meddah laconiek.

Hilsenrath wijdde tot nu toe al zijn boeken aan de blijkbaar onweerstaanbare behoefte van de mens een zondebok aan te wijzen en zich met slachtoffers te omringen. De schrijver put daarbij uit eigen ervaringen; zelf overleefde hij de holocaust ternauwernood. In zijn vorige roman, Der Nazi en der Friseur (1977) beschreef hij het levensverhaal van een Duitse massamoordenaar, die na de oorlog doet alsof hij een jood is die de kampen overleefd heeft. Zijn straf ontloopt hij; zijn slechte geweten raakt hij nooit kwijt. Bovendien wachten hem in een sadomasochistische relatie met een zeer dominante vrouw folteringen die hem op een onverwachte manier toch nog tot een slachtoffer maken. Velen vonden het boek onverteerbaar grotesk. De toon van Das Marchen vom letzten Gedanken is gelatener en de zucht om macabare gebeurtenissen uitvoerig te schilderen heeft Hilsenrath beteugeld. Het resultaat is een bijzonder aangrijpende roman waarvoor Hilsenrath terecht de Alfred Doblin-prijs kreeg.