Forse stijging van aantal klachten over discriminatie

DEN HAAG, 10 aug. Het aantal binnengekomen klachten in Den Haag over discriminatie is de eerste helft van dit jaar met 35 procent gestegen. Kwamen er vorig jaar bij het Haags meld- en registratiepunt discriminatiezaken 475 klachten binnen, de eerste helft van dit jaar zijn dat er al 388. Het bureau tekent aan dat in het jaar van gemeenteraadsverkiezingen altijd een stijging in het aantal klachten is waar te nemen, maar noemt de huidige groei van 35 procent fors, zo staat in een door het bureau verspreide bekendmaking. De klachten zijn voornamelijk van Turken en Marokkanen afkomstig en hebben betrekking op conflicten in de buurt en problemen op het werk.

Vooral de buurtproblemen in oude wijken hebben de afgelopen periode veel aandacht gekregen. Het begon met de publicatie van een boekje van de ontslagen Haagse wethouder G. van Otterloo waarin hij een pleidooi hield voor buurten op basis van etnische afkomst. Een 'dambordpatroon' van blanke en zwarte buurten dus. Een medewerker van de Nationale Woningraad (NWR) sprak daarna over de starre manier waarop woningen in Nederland worden toebedeeld. Tenslotte hield burgemeester Cools van Antwerpen buiten onze grenzen een pleidooi voor 'aparte buurtvorming'. Directeur N. van Velzen van de NWR zegt dat de discussie over de vraag of je als gemeente of (sociale) verhuurder invloed moet uitoefenen op de samenstelling van wijken en buurten om daarmee klachten en discriminatie te voorkomen, binnen zijn organisatie al twee jaar gaande is. 'Het gaat om de vraag of je 'dom en passief' een woning toewijst, of dat je dat 'doordacht' doet. Dat is de fundamentele keuze', zegt Van Velzen op zijn hoofdkantoor in Almere. 'Wij stellen ons op het standpunt dat je als woningcorporatie niet alleen verantwoordelijk bent voor de verhuur van een huis, maar ook voor de leefbaarheid van buurten en wijken. Dat betekent dat bij de toewijzing van een woning ook de vraag moet worden betrokken welke gevolgen die toewijzing voor de buurt heeft'. Van Velzen erkent dat daarmee een stap wordt gezet op het gevaarlijke pad van het selectief toewijzen of, wat in kringen van anti-discriminatiegroeperingen nog verwerpelijker wordt geacht, van de spreiding. De overheid is volgens hem niet erg behulpzaam bij het zoeken naar een oplossing of zelfs maar het aangeven van een richting. 'Van de overheid mag je eigenlijk niets. Je mag allochtonen niet bewust spreiden, maar je mag ze ook niet opzettelijk concentreren. Dat is een ontkenning van het streven naar leefbare wijken en buurten. Als bepaalde groepen in onze samenleving bij elkaar willen wonen, dan moet je dat accepteren. Maar het andere moet ook mogelijk zijn. In sommige wijken moet je naar de afspiegeling van de Nederlandse samenleving toe. Multi-raciaal en multi-cultureel. In gevallen waar dat niet werkt, moet je Turken- of Marokkanenwijken toestaan', zo zegt van Velzen.

Hij voegt daar aan toe dat in de praktijk het proces van concentratie vanzelf tot stand komt. Het probleem is, zo meent hij, dat de overheid niet op dit verschijnsel inspeelt en er geen beleid voor maakt of heeft. 'De concentratie van allochtonen in grote steden gebeurt nu langs een wetmatigheid die niet een produkt van het beleid is maar die uit de markt voortkomt. Er is geen minderhedenbeleid'. Van Velzen schurkt zich met dit standpunt dicht tegen dat van de eerder genoemde Haagse ex-wethouder Van Otterloo. Als er niets gebeurt, zo is de opvatting van Van Otterloo, zullen er in de Haagse wijken Transvaal en de Schilderswijk over tien jaar geen Nederlanders meer wonen. Om dat te verhinderen, moet je mensen in die buurten een combinatie van goede woningen en geborgenheid aanbieden om tot een beter functioneren van die gemeenschap te komen. Er moet meer aandacht aan de sociale aanpak van de stadsvernieuwing worden besteed. Van Otterloo: 'Je moet proberen de mensen in die wijken te hergroeperen. Je moet ijveren voor meer identificatie met de buurt. Dan worden de mensen misschien wat gelukkiger'. Hij beroept zich op een onderzoek onder orthodoxe joden in Amerika: 'Dat onderzoek leverde het omgekeerde op van wat je zou verwachten. Mensen die in het getto hadden gewoond, waren uiteindelijk beter geintegreerd in de Amerikaanse samenleving dan mensen die daar buiten hadden gewoond'. Het lanceren van dit soort 'getto'-denkbeelden is symptomatisch voor de impasse waarin het minderhedenbeleid in Nederland verkeert. In navolging van het rapport van vorig jaar juni door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), is nu ook de regering er voor om het beleid van verzorging om te buigen tot een beleid van integratie. Veel aandacht is er in het rapport voor de arbeidsmarkt.

Het WRR-rapport signaleerde het bestaan van een 'etnisch sub-proletariaat'. De werkloosheid is hier groter dan elders in West-Europa. Van de 380.000 werklozen die Nederland op dit moment telt, behoren er 85.000 tot minderheidsgroepen. De afgelopen tien jaar was er sprake van twee ontwikkelingen. Ten eerste is het aantal personen waarop het minderhedenbeleid is gericht, toegenomen van 470.000 tot 750.000. In de tweede plaats is de werkloosheid onder migrantengroepen in diezelfde tijd verontrustend gestegen. J. M. M. van Amersfoort, hoogleraar sociale geografie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, betwijfelt of de werkloosheid onder allochtonen hier werkelijk zoveel hoger is dan in andere Westeuropese landen: 'In Duitsland en Belgie is de werkloosheid onder migranten gedaald omdat veel Turken 'vertrekpremies' hebben aanvaard, terwijl in Nederland de remigratie nooit op gang is gekomen. In deze buurlanden was dus sprake van export van werkloosheid'.

Bovendien is het werkloosheidscijfer in Duitsland toch al lager dan bij ons. Een andere factor is dat Nederland veel later arbeidskrachten uit Turkije en Marokko is gaan recruteren dan de Duitsers. Het ontwikkelingsniveau van boeren uit Anatolie of het Rifgebergte in Marokko is nu eenmaal lager dan dat van gerecruteerde werkkrachten uit de stedelijke gebieden. Dat heeft met name een langere doorstroom door gezinshereniging tot gevolg. Van Amersfoort: 'Die vragen worden bij het opstellen van de werkloosheidscijfers niet gesteld'. Opvallend is dat de werkloosheid onder migranten hoger is dan onder laag geschoolde Nederlanders met dezelfde kwalificaties. Dat wordt vooral veroorzaakt door de manier waarop de werving functioneert: het meeste personeel komt niet via de officiele kanalen binnen maar indirect, via de netwerken. Dat werkt in het voordeel van de Nederlanders. Ook bij hoger geschoolde migranten is de werkloosheid groter dan bij Nederlanders van hetzelfde niveau. Dr. R. Penninx, universitair hoofddocent sociaal-culturele wetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vult dat aan. 'Vele werkgevers hebben negatieve arbeidsprestatiebeelden. Een aantal mechanismen leidt er bewust of onbewust toe dat minderheden op de arbeidsmarkt minder kansrijk dan Nederlanders zijn'. Het vrije marktmechanisme is tot nu toe niet in staat gebleken om het probleem van de werkloosheid onder migranten op te lossen. De door de regering gewenste integratie van minderheden met het bijkomende gunstige effect van minder discriminatie, zal vermoedelijk een zekere interventie op de arbeidsmarkt noodzakelijk maken. Wat dat betreft is er geen verschil met wat er nodig is in de oude wijken en buurten van de grote steden: beleid en regelgeving.