Een dichtende huisarts tussen baronnen en dagloners

Dat ik zelden in Friesland kom, blijkt, rijdend op een huurfiets van de NS tussen Heerenveen en Gorredijk, een ernstige fout. Weidsheid, geuren van hooi en bloemen, geiten aan een touw, dribbelende kieviten in de wei, welvarende 'states', steeds een klein voorhuis en een groot achterhuis met een reusachtig puntdak; namen als 'Aldfaers Groun' en 'Eachweid'. De zon brandt op onze armen, er is dertig graden voorspeld. Het doel van de tocht is Beetsterzwaag, onder Drachten. In dit dorp is Slauerhoff in 1929, tijdelijk moe van zijn reizen naar China en Zuid-Amerika, een paar maanden waarnemend huisarts geweest. Zijn vriend Bloem, die niets wist van die waarneming, stuurde, zodra het hem ter ore kwam, een briefkaart met daarop: 'Die 'k aan een gier geklemd dacht zwevend over de Andes/Of snaren tokklend aan de langoureuze Taag, /Flaneerend te Parijs of zwervend in de Landes, /Is nu, god betert, arts in 't Friesche Beetsterzwaag.' Na Gorredijk wordt het landschap bosachtiger. Ik probeer me Slauerhoff voor te stellen, rijdend langs deze dreven in zo'n zwarte, vooroorlogse Citroen, elleboog uit het raampje, slappe hoed op, sigaret op de lip, dokterstas naast zich op de bank, op weg naar zieke boeren, baronnen en dagloners.

Redelijk fris omdat we het laatste eind steeds in de schaduw van bomen hebben kunnen fietsen komen we Beetsterzwaag binnen. Een groot, statig huis (Lyndensteyn) links, een lommerrijk park met Neptunusbeeld in het midden rechts.

Het is midden op de dag en de Hoofdstraat ligt er verlaten bij. Er heerst een diepe rust in Beetsterzwaag. Een volslagen, lome, zalige rust. Bij de kerk zetten we de fietsen neer en gaan het kerkhof op. Binnen een stevige gietijzeren omheining liggen de Harinxma thoe Slootens onder kolossale stenen. Om de kerk heen de andere Beetsterzwagers van de laatste anderhalve eeuw. De Lefferts en de Lutskes, de Symkjens en de Siebrigjes, de Hielkes, de Foppes, de Hoites, de Lummigjes, de Oebeles en de Ibeles. 'Berne' is geboren en 'forstoarn' is gestorven.

Ik loop tussen de graven. Was de 15-jarige jongen die in 1930 begraven is en op wiens graf een blikken trommel met glazen deksel staat, waarin een grafkrans van witte rozen met een halfvergaan lint eraan, in 1929 al ziek? Hebben de oude mensen, gestorven halverwege de jaren dertig, dokter Slauerhoff wel eens aan huis gehad? Als we uitgekeken zijn, doet de typische kerkhofreactie zich voor: ik pak mijn handspiegel om uitvoerig mijn lippen bij te stiften en mijn tochtgenoot meldt dat hij een brullende honger heeft. We fietsen het dorp wat op en neer, overwegen even het deftige hotel Lauswolt, maar kiezen dan toch maar de plaatselijke Chinees, schuin tegenover het politiebureau.

Na de maaltijd slenteren we landerig door de doodstille Lycklama-tuinen en zouden het liefst op het gras onder de platanen gaan liggen uitbuiken, maar daar kan niks van komen. Er is nog werk te doen! We weten nog helemaal niet waar het vroegere doktershuis is.

De slijter van het dorp fungeert ook als VVV-informant. De dokterspraktijk in 1929? Slauerhoff? Hij durft het niet met stelligheid te zeggen, maar het zou best het grote huis hier schuin tegenover kunnen zijn, Hoofdstraat 62, daar logeerde in ieder geval Domela Nieuwenhuis wel eens, dat weet hij zeker.

Ja, Domela Nieuwenhuis, die kwam hier wel, vertelt de jonge eigenaar van Hoofdstraat 62. Maar een dokterspraktijk is hier beslist nooit geweest. Dit huis was een dependance van Hotel de Herder. Hij weet er alles van, hij heeft een compleet historisch archief van het huis. Willen we soms even binnen kijken? Binnen vergapen we ons aan de marmeren hal, de zalen van kamers.

Terug in de blakende Hoofdstraat begeven we ons naar het gemeentehuis, een paar panden verder. 'Het doktershuis in 1929', zegt de portier nadenkend en komt er helemaal voor uit zijn glazen hokje. Nou, als geboren en getogen Beetsterzwager zou hij zeggen dat dat 'Zandhoeve' moest wezen! Jazeker, de dokter van zijn ouders en grootouders woonde op 'Zandhoeve'. Hij legt uit hoe we daar moeten komen en even later staan we er voor: een achter bomen verscholen huis met het hoogste rieten puntdak dat ik ooit gezien heb, leuk huis... maar het lijkt wel Amsterdamse School-stijl. Hoe oud zou het zijn? Hier hebben inderdaad verschillende artsen gewoond, vertelt de man die de deur opent. Vanaf 1932, toen het huis gebouwd is!Voor de twintigste keer die dag passeren we in de Hoofdstraat een oude meneer die in de schaduw van zijn huis op een rieten keukenstoel zit. Hij kijkt ons peinzend na. 'En nu gaan we naar de politie!', roept mijn reisgezel strijdlustig. Ik maak een hoop tegenwerpingen (dat weten ze bij de politie toch niet, ze zien je aankomen!), maar hij duwt de deur van het bureau open en is al met de dienstdoende agent in gesprek als ik bedremmeld naderbij kom. De agent is jong en staat in zijn haar te krabben. Waar in 1929 de huisarts van Beetsterzwaag woonde? Al sla je hem dood! Maar hij zal eens bellen naar een collega die boven zit. Een minuut later staat de collega voor ons aan de balie. 'U wilde weten waar in 1929 het doktershuis was?' vraagt hij. 'Hier. Dat was dit huis. De dichter Slauerhoff is hier nog een poosje huisarts geweest, wist u dat!' Op het cafeterras waar we iets drinken werp ik een blik op de namen en telefoonnummers die de agent opgegeven heeft: inwoners van Beetsterzwaag die over de historie van het dorp kunnen vertellen. De oude tuinman van de baron is erbij, 'die weet alles', telefoon heeft hij niet, je kan zo bij hem langslopen. Prachtige verhalen staan me voor ogen. Tienjarig jongetje wiens vingertop er weer aangezet wordt door die rare snoeshaan, die plaatsvervanger van de echte dokter. Deze of gene Sietske of Lummigje die haar Foppe in de steek liet voor die vreemde snuiter, zodat het dorp er schand van sprak. Maar het is al zes uur. En het artikel moest beknopt zijn. 'Vraag de krant of je er een serie van mag maken!' zegt mijn gezelschap. We moeten nu echt voortmaken. Nog anderhalf uur fietsen naar Heerenveen, nog tweeeneenhalf uur in de trein.

We fietsen door de weilanden. Het is nog wel warm, maar het licht is mild geworden; alles is nog dubbel zo mooi als op de heenweg. Ik kies de huizen uit waar ik wil wonen. Veel koeien onderweg. De laagstaande zon laat de oranje plastic merkflappen aan hun oren opgloeien.

En daar heb je het. Hoewel ik op dat terras expres niets alcoholisch gedronken heb ik ben iemand die ook zonder alcohol al regelmatig de berm inrijdt of met mijn stuur in het stuur van de buurman verstrengeld raakt slaat een genadeloze sentimentaliteit toe. Het sentiment van de Amsterdammer op het platteland. Het zit hem in de kleur van het gras, de paarse bloemen langs de sloten, de vrouw in overall die kippen binnen een omheining drijft. Het ouwe liedje. 'Berne' en 'forstoarn', weet je wel, en 'die laatste smalle ree van hout in zand'. We zijn er weer, hoor. Ik begin steeds langzamer te fietsen totdat mijn tochtgenoot me bij de bovenarm pakt en opduwt. Hij kent mij langer dan vandaag. Daar fietsen wij op onze degelijke Sparta's, op de manier waarop ik vroeger, in mijn geboortedorp, verloofde stelletjes wel zag fietsen; alleen heb ik geen gebloemde zomerjurk aan. Het is nog ver naar Heerenveen.

Rascha Peper debuteerde in maart 1990 met de verhalenbundel De Waterdame.