De grote schoonmaak

De Rode Olifant hoort eigenlijk thuis in Shanghai. Zeker nu het gebouw grondig is schoongemaakt, de bakstenen gevels hun warme dieprode kleur hebben teruggekregen en de toren met zijn eigenaardig Oosters geledingen-verloop er uit ziet als pas gebouwd, lijkt De Rode Olifant te zijn weggelopen uit zijn natuurlijke omgeving: de koloniale architectuur in Shanghai langs de Nanjing Road en in de legendarische rivieroeverwijk de Bund.

Maar De Rode Olifant staat in Den Haag aan de Zuid-Hollandlaan, tussen de Jozef Israelslaan en de Mesdagstraat. Iedereen die over de Benoordenhoutseweg of de Utrechtse Baan Den Haag binnenkomt, passeert het voormalige Esso-gebouw dat als doopnaam 'Petrolea' meekreeg, maar al gauw De Rode Olifant werd genoemd. Het gebouw heeft inderdaad een robuuste verschijningsvorm, maar is daarin niet uniek. De olifantvergelijking moet een fantasievolle geest vooral zijn ingegeven door de toren (56 meter), die op de hoek boven de hoofdingang uit de bakstenen massa omhoogsteekt als de slurf van een uitbundig trompetterende olifant. Dit baken in de stad een 'landmark' noemen de Amerikanen zoiets werd in 1924 voltooid naar een ontwerp van J. H. de Roos en W. F. Overeynder. De twee Rotterdamse architecten zouden het plan aanvankelijk hebben gemaakt als prijsvraagontwerp voor een raadhuis van Hilversum. Maar de competitie werd uiteindelijk niet uitgeschreven omdat Dudok vanaf 1915 gemeentearchitect van Hilversum direct de opdracht kreeg een stadhuis te ontwerpen. Voor de architectuurgeschiedenis een ontwikkeling van onschatbare betekenis, want Dudoks raadhuis van Hilversum (1928-1932) is een van de hoogtepunten van de moderne bouwkunst, een wereldvermaard monument dat nu in de steigers staat te vermiezeren en dat zal blijven doen als er geen oplossing wordt gevonden voor het acute geldgebrek waardoor de noodzakelijke restauratie halverwege is stopgezet. In wat voor land leven we toch waar gemeentes zwaar worden gestraft voor hun monumentenbezit, in dit geval drie moderne monumenten uit de eerste decennia van de twintigste eeuw. De zorg voor Gooiland, Zonnestraal en Dudoks Raadhuis drijft de arme gemeente Hilversum tot wanhoop en bedelstaf. In Frankrijk zou de President al lang persoonlijk hebben ingegrepen en het kostbare culturele erfgoed hebben veilig gesteld. Maar hier haalt de minister van Cultuur de restaurateurs eigenhandig van de steiger omdat een van haar adviseurs weer eens een bloot stukje bodem van de schatkist heeft ontwaard.

Wonder

Terug naar De Rode Olifant. De architecten De Roos en Overeynder legden hun stadhuisontwerp voor aan de American Petroleum Company die van Rotterdam naar Den Haag wilde verhuizen. De oliemaatschappij kocht het plan en zo kwam dit monumentale gebouw, dat in Hollands metselwerk met art deco motieven omhoog rijst uit een robuust basement van natuursteen, in Den Haag terecht.

Met het rode gevaarte in de meeste architectuuroverzichten van Den Haag ontbreekt het, of wordt het slechts terloops vermeld is een wonder geschied. Opdrachtgever Wereldhave heeft het gebouw door het Amsterdamse Architektenburo Prins BV van top tot teen laten renoveren en het inwendig geschikt doen maken voor gebruik door het grote, internationale advocatenkantoor De Brauw, Blackstone en Westbroek. Het gebouw heeft een metamorfose ondergaan die zich het best laat beschrijven in medisch-biologische termen. Het heeft nieuw bloed gekregen. Ondeugdelijke organen zijn gerepareerd of geheel vervangen. Verstopte kanalen en dichtgeslibde holtes zijn opengemaakt. En tenslotte heeft Prins BV een facelift uitgevoerd zonder uiterlijke littekens achter te laten, of het moeten de vlakke aluminium ramen zijn die in de plaats zijn gekomen van de oorspronkelijke, meer geprofileerde stalen ramen met roeden. Na de rigoureuze en gewetensvolle behandeling is De Rode Olifant een bijzonder stijlvol, modern kantoorgebouw geworden met een grandeur die, zeker voor Nederlandse begrippen, zeldzaam is. De oude karakteristieken bleven gehandhaafd of werden zonodig hersteld of naar voren gehaald, de honderd sculpturen uit Maulbrunner zandsteen van Jan van Lunteren, de lange muurschildering van Christiaan de Moor en de tere gebrandschilderde ramen van Winkelman in de hal en de sobere, ijzeren Jugendstil lampen in entree en trappenhuis. Belangrijk voor de impressie van getemperde jaren twintig-weelde is de authentieke bruinbeige marmeren wandbekleding in de openbare ruimten en in verticale stroken in het atrium. Want De Rode Olifant is een klassiek symmetrisch atriumgebouw. Waarschijnlijk heeft een van de eerste atriumgebouwen model gestaan, het beroemde Larkin Building van Frank Lloyd Wright, ontworpen in 1904. Brede gangen liggen als bordessen om de vide heen en staan, per verdieping, met deze centrale ruimte in verbinding door reeksen van vierkante openingen.

In het atrium, dat wordt afgesloten met een heldere glas-in-lood kap waardoorheen prachtig licht naar binnen valt, is de bibliotheek van het advocatenkantoor gesitueerd. Een betere bestemming voor een 'atriumvloer' is nauwelijks denkbaar: ons gedachtengoed, de wetboeken, de instructies en afspraken waarmee we onze samenleving hebben ingericht, in het hart van de zaak. Dat getuigt van stijl, cultuurbesef en praktisch inzicht. Want is het niet zo, dat in de meeste commerciele atrium-gebouwen, inplaats van de bedrijfsbibliotheek, de bedrijfskantine op de bodem van de vide wordt gelegd, met alle rampzalige visuele en andere zintuigelijke gevolgen van dien? De herboren Rode Olifant in Den Haag is in veel opzichten een voorbeeldig gebouw. Na de operatie oogt het modern en vitaal en wie goed kijkt, ontdekt de interessante schoonheid van loutering en wijsheid, opgedaan in een interessant vorig leven (Shanghai?). Wereldhave, Architektenburo Prins en het Advocatenkantoor hebben aangetoond mogelijk ten koste van welke interne veldslagen ook dat renovatie en commercieel hergebruik van een monument tot een tweevoudige triomf kan leiden. Het 'landmark' staat er stralend en uitdagend bij, een sieraad voor Den Haag. En de onderneming die het heeft aangedurfd om voor een 'oud' gebouw te kiezen in het centrum van de stad, in plaats van voor een goedkoper spiegelkantoorgebouw van het type dertien in een dozijn, koestert zich in de onbecijferbare culturele meerwaarde van een historische, monumentale behuizing.

De aard van de grote schoonmaak die in Den Haag aan de Zuid-Hollandlaan heeft plaats gevonden, is weliswaar anders van karakter dan wat het gebouw van Peek en Cloppenburg op de Dam in Amsterdam heeft ondergaan, de uiterlijke effecten zijn vergelijkbaar. Ook op de Dam is een gloednieuw gebouw verschenen. Een lichtgrijze, bijna witte classicistische facade met bescheiden ornamenten, borstweringen sierlijk als taartranden en gevelstenen afkomstig van de huizen die vroeger op deze plaats op de Dam stonden. Ineens blijkt Peek en Cloppenburg een interessante, karaktervolle gevel te bezitten waaraan van alles te beleven valt. Aan de Rokin-zijde staat dat het gebouw dateert uit 1916. Maar wie heeft het ontworpen? In de gebruikelijke architectuuroverzichten van Amsterdam is dat niet vinden.

In gidsen en historische beschrijvingen wordt het gebouw hooguit misprijzend afgedaan met de omschrijving: het Magazijn van Peek en Cloppenburg. Zelden is zo'n groot gebouw op zo'n prominente plaats in de stad zo anoniem gebleven. Pas nadat er een waterstraal van meer dan honderd graden op is losgelaten en de gevel van zandsteen is blootgesteld aan een bombardement van flinters van kolensintels, bestaat het P en C-gebouw. Na veel zoeken heb ik de identiteit van de architect kunnen achterhalen. Aanvankelijk dacht ik dat het de Gebroeders van Gendt weleens zouden kunnen zijn, omdat ik in de gevelopbouw verwantschap ontdekte met het gebouw De Rijnstroom aan het Rokin, waar de sigarenfirma Hajenius in gevestigd is. Maar dat is niet juist. Het P en C-gebouw is van de hand van Ant. J. Joling, van wie ik verder nog geen achtergronden heb kunnen vinden.

De Roos, Overeynder, Joling, hoe leerzaam kan de grote schoonmaak zijn.